'A bit of a strange coin'

door:
De Bitcoin is de afgelopen tijd veel in het nieuws geweest. De enorme koersstijging ging gepaard met zowel enthousiasme als scepsis. Inmiddels zijn er 17 Bitcoin-pinautomaten in Nederland[1] en schijnen 135.000 huishoudens te hebben geïnvesteerd in de Bitcoin[2]. Dat de Bitcoin een risicovolle investering kan zijn, blijkt wel uit het verschil in waarde tussen december - toen de Bitcoin nog op ongeveer 20.000 euro stond - en de waarde van nu: ongeveer 8000 euro. De Bitcoin wint ook populariteit als direct betaalmiddel. Maar hoe gaat het civielrecht eigenlijk om met de Bitcoin?

Om te beginnen wordt de Bitcoin sinds een uitspraak van de Rechtbank Overijssel[3] niet gezien als geld, maar als ruilmiddel. De rechtbank oordeelde dat de Bitcoin niet voldoet aan de definitie van giraal geld in de zin van art. 6:114 BW, omdat hiervoor een giro-instelling (lees: bank) vereist is.

Ook oordeelde de rechtbank dat de Bitcoin niet voldoet aan de definitie van chartaal geld (lees: fysiek geld) in de zin van art. 6:112 BW. Dit komt niet alleen omdat de Bitcoin geen wettig betaalmiddel is (deze status komt in Europa alleen euromunten en biljetten toe[4]), ook heeft de Minister van Financiën verklaard dat de Bitcoin niet onder elektronisch geld valt in de zin van de Wet financieel toezicht.[5]

 

De kwalificering van de Bitcoin als ‘ruilmiddel’ brengt met zich mee dat deze op het gebied van overeenkomsten dezelfde status heeft binnen het civiele recht als bijvoorbeeld goud. Goud is echter over het algemeen erg waardevast terwijl de Bitcoin verre van waardevast is. Dit kan complicaties met zich meebrengen wanneer een van de partijen bij een overeenkomst bijvoorbeeld schadevergoeding vordert op grond van ontbinding of wanprestatie. Art. 6:125 BW biedt een grondslag voor het verkrijgen van koerswijzigingsschade. Echter is dit artikel alleen van toepassing op geld en dat is de Bitcoin nu juist niet.[6] Een andere grondslag is vermogensschade (gederfde winst en geleden verlies) in de zin van art. 6:95 BW. De rechter moet dan eerst de aansprakelijkheid vestigen alvorens de vermogensschade te begroten. Dit vergt een strenge toets waardoor het denkbaar is dat deze route niet altijd toereikend zal zijn (denk bijvoorbeeld aan de dubbele causaliteit, toerekenbaarheid of het matigingsrecht). Bij een enkele ontbinding ontstaat er een ongedaanmakingsverbintenis, welke ook een discrepantie kan zijn tussen de initiële waarde en de dagwaarde. De rechter zal in de toekomst dus per geval moeten afwegen hoe hij om zal gaan met dergelijke situaties.

 

Tegen de bovengenoemde uitspraak van de Rechtbank Overijssel is overigens hoger beroep ingesteld. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak[7] de conclusie van de Rechtbank Overijssel bekrachtigd maar deed ook een opvallende uitspraak. Het Hof kwalificeerde de Bitcoin als een ‘goed’ in de zin van art. 6:1 BW en meer specifiek als een (gekochte) ‘zaak’ in de zin van art. 6:2 BW. Dit is opvallend omdat de Bitcoin niet echt op de definitie van een zaak lijkt: ‘de voor menselijk vatbare stoffelijke objecten’. De reden erachter lijkt te zijn dat het Hof de koop van Bitcoins gelijk wil stellen aan een koopovereenkomst in de zin van boek 7 BW. Hierdoor wordt het mogelijk om art. 7:36 toe te passen en schadevergoeding te vorderen van zaken waarvan de dagwaarde verschilt met de initiële waarde. Het Hof biedt door de Bitcoin als koopwaar te kwalificeren als het ware een oplossing voor het hiervoor geschetste probleem.

 

W.F. Dammers bepleit in zijn noot[8] dat de Bitcoin in zijn eigenschappen meer weg heeft van een absoluut vermogensrecht dan van een zaak. Ook wijst hij erop dat het kopen van Bitcoins vrijgesteld is van BTW door een uitspraak van het Hof van Justitie de Europese Unie[9]. In deze uitspraak oordeelde het HvJEU dat er geen BTW over de Bitcoin kan worden geheven omdat het niet als een ‘lichamelijke zaak’ kan worden aangemerkt en ook niet onder het begrip ‘leveren van goederen’ valt (in de zin van art. 14 Richtlijn 2006/112/EG). Onder meer omdat de Bitcoin geen ander doel heeft dan als betaalmiddel te worden gebruikt. Dammers merkt op dat het belastingrecht een compleet tegenovergestelde kwalificatie geeft aan de Bitcoin dan het civielrecht dat doet, namelijk betaalmiddel versus ruilmiddel.

Prof. mr. W.A.K. Rank doet in zijn noot[10] op de uitspraak van de Rechtbank Overijssel een suggestie om een vergelijkbare oplossing te vinden als voor dieren is gedaan in art. 3:2a BW. In dit artikel staat dat dieren geen zaken zijn, maar bepalingen met betrekking tot zaken wel van toepassing op dieren zijn.

 

Kortom, de uiteindelijke status en kwalificering van de Bitcoin binnen het civiel recht zal nog even op zich laten wachten. Hoewel de Bitcoin steeds meer mainstream wordt, is de discussie over hoe deze juridisch gekwalificeerd moet worden dat bij lange na nog niet.

 


[1] Volgens de website www.coinatmradar.com

[2] Dit blijkt uit onderzoek van Kantar TNS, gepubliceerd op 13-10-2017 (www.tns-nipo.com)

[3] Rechtbank Overijssel 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667

[4] Artt. 10 & 11 van Verordering 974/98 van de Europese Gemeenschap

[5] Brief Minister van Financiën van 19 december 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

[6] Rechtbank Overijssel 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667

[7] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4219

[8] W.F. Dammers, ‘Bitcoins: een vreemde zaak’, Internetrecht 2016, p. 110-112 (afl. 3)

[9] HvJEU 22 oktober 2015, nr. C-264/14

[10] Ars Aequi 2015/3, p. 177-185, prof. mr. W.A.K. Rank


Discussie

Relevante artikelen