Crimineel geweld of noodkreet?

Of zitten de avondklokrellen daar ergens tussenin?

Door: Bo Driesen

Dagelijks wordt er in het nieuws gesproken over de coronamaatregelen. 8 maart werd bekend gemaakt dat de avondklok tot 20 april wordt verlengd. Vanwege de zomertijd zal de avondklok verplaatst worden van 21:00 naar 22:00. Naast een aantal mensen dat na tien uur ‘s avonds vanuit werk naar huis gaat, is het bijna stil op straat. Deze stilte is een wereld van verschil in vergelijking tot het moment dat de avondklok van kracht werd op 23 januari. In onder andere Eindhoven, Urk, Den Bosch en Haarlem werd het op het rellen gezet: auto’s werden in brand gestoken, er werd geplunderd  daarnaast werden politieagenten belaagd en bekogeld met stenen en andere objecten. Al snel kwam veel kritiek op dit gedrag, ook vanuit de politiek. VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff zei dat zijn bloed kookt als hij dit ziet en Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib was van mening dat geweld niet hoort in een democratie en nooit een middel mag zijn om je te uiten.[1] Dat dit gedrag niet wordt getolereerd, staat niet ter discussie. Maar, er zijn twee verschillende perspectieven waarmee naar de avondklok-rellen kan worden gekeken om dit geweld in de toekomst te kunnen voorkomen. In deze bijdrage wordt besproken waarom de normatieve en empirische perspectieven een oplossing kunnen bieden op de avondklok-rellen. 

Wie zijn deze relschoppers?

Een dag na de invoering van de avondklok werd een opiniepeiling van Peil.nl gehouden onder 1000 mensen over de tevredenheid over de avondklok. Hieruit bleek dat 24% van de ondervraagde mensen de avondklok een slechte beslissing vond. Daarnaast twijfelde 30% aan het nut van deze maatregel. Dit betekent dat 46% van deze ondervraagde mensen dus wél voorstander was van de avondklok.[2] Uit deze cijfers kan geconcludeerd worden dat de steun voor de maatregel niet erg groot was. Welke groepen zijndan ontevreden over deze maatregel? Dit zijn de groepen die regelmatig in het nieuws komen, omdat hun problemen erg groot zijn. Denk aan jongeren die in de bloei van hun leven zitten,[3] horecabazen waarbij het water tot aan de lippen staat en andere ondernemers die pessimistisch zijn.[4] Van deze groepen zijn jongeren het meest vertegenwoordigd in de filmpjes die van de rellen zijn gemaakt. Daarnaast zitten tussen deze jongeren bekende groepen die al vaker de confrontatie met de politie op hebben gezocht.[5]

Hoe kan worden gekeken naar dit geweld?

Voordat geoordeeld kan worden over het gedrag van de relschoppers, moet eerst gekeken worden naar de motieven van de geweldplegers. Dit betekent niet dat zij niet strafrechtelijk vervolgd zouden moeten worden, maar het betekent wel dat soortgelijke situaties in de toekomst kan voorkomen, wanneer de motieven beter begrepen worden. Het zoeken naar uitleg van geweld en begrip tonen worden vaak gelijkgesteld met het goedpraten hiervan. Echter, het zoeken naar een uitleg is in veel gevallen het objectief onderzoeken van geweld.

Bij het onderzoeken van geweld zijn twee invalshoeken van belang. Ten eerste de normatieve blik, waarbij wordt gesproken over goed en kwaad. De vraag die bij het normatieve perspectief centraal staat is dus of het gedrag afgekeurd of beloond moet worden. Ten tweede is er de de empirische invalshoek, die zich richt op het onderzoeken van het geweld, zonder direct te spreken van daders en slachtoffers.

Normatieve blik

Het strafrecht kan gezien worden als een normatieve blik op geweld. In het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn namelijk straffen vastgelegd voor bepaalde gedragingen. Wanneer wordt gekeken naar het motief van de dader, wordt dit vooral gebruikt om de hoogte van de straf te berekenen, maar niet om het geweld dieper te onderzoeken. Als voorbeeld kan art. 289 Sr over moord genomen worden. Om te voldoen aan de voorwaarden van moord moet sprake zijn van opzet en voorbedachte rade. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een sterk motief om iemand van het leven te beroven. Aan de andere kant staat art. 307 Sr. Dit artikel gaat over dood door schuld, waarbij geen sprake is van een motief om de ander van het leven te beroven. Hierdoor is de maximale straf bij dood door schuld lager dan bij moord.

Wanneer er wordt gekeken naar de strafbaarheid van de rellen en dus naar strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, wordt dus het normatieve perspectief gebruikt. Art. 350 Sr (vernieling) en art. 141 Sr (openlijke geweldpleging), komen duidelijk naar voren wanneer de rellen beoordeeld moeten worden. Wanneer er sprake is van vernieling kan er een maximale straf opgelegd worden van twee jaar gevangenisstraf, of een boete van de vierde categorie. De gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging kan oplopen tot vier jaar en zes maanden, of een boete van de vierde categorie. Wanneer de rechter het geweld dus veroordeelt, wordt gebruik gemaakt van het normatieve perspectief: de gedragingen wordt genormeerd.

Een normatieve blik komt ook vaak terug bij mensen die een eerste reactie geven over een bepaalde situatie.  Op dat moment worden de relschoppers in eerste instantie over één kam geschoren. Vaak is een heel kritisch geluid te horen over het vertoonde geweld.

Het normatieve perspectief komt ook naar voren als men kijkt naar de reacties vanuit de politiek. In de politiek is het geluid te horen dat  relschoppers criminelen zijn en direct gestraft moeten worden. Deze normatieve reacties zijn ook logisch gezien het feit dat dergelijk gedrag ook strafbaar is gesteld. Echter, de meest complexe en interessante discussies komen uit empirische observaties. Deze observaties kunnen leiden tot nuttige informatie, waardoor het gedrag in de toekomst voorkomen kan worden.[6]

Empirische blik

Een voorbeeld van een empirische uitspraak over de avondklok-rellen is onder andere gedaan door Zannoni, directeur van het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement (COT). Hij stelde dat demonstreren mogelijk moet blijven, omdat ook de rellen iets over de onderliggende problematiek, zoals tweedeling in de maatschappij en andere zorgen en angsten in de samenleving zeggen. Helaas is dit niet mogelijk om op de korte termijn op te lossen, maar met genoeg onderzoek kandit wellicht verbeterd worden.

Verder stelde de groep Dutch Hooligans Alliance dat de relschoppers die lid zijn van de groep het niet eens zijn met de vergaande maatregelen en hierdoor de straat op gingen. Onder hen zijn ook allerlei groepen uit de samenleving met verschillende nationaliteiten die de maatregelen niet meer steunen. De Dutch Hooligans Alliance wilde niet worden vergeleken met plunderende maniakken die misbruik maken van de demonstraties. Daarnaast wilde Dutch Hooligans Alliance dat men ervan bewust van is dat er ook ‘doodnormale’ mensen tussen de rellende menigte stonden.[7] Nu deze uitspraken een goed beeld geven over de motieven van de relschoppers, kunnen zij gebruikt worden als empirische gegevens voor een onderzoek naar rellen.

Oproepen tot rellen

In tegenstelling tot het geweld van de eerste dagen, ging een aantal dagen na de ingang van de avondklok andere oproepen tot rellen rond op sociale media. De teksten bevatten vooral oproepen tot geweld en vernieling, maar de avondklok werd hierbij amper meer genoemd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de rellen die ontstonden uit deze oproepen verder gingen dan alleen demonstreren tegen de avondklok. Er kan vanuit een normatief oogpunt gezegd worden dat relschoppers het alleen deden voor de kick, omdat er geen link meer te leggen viel met de avondklok. In tegenstelling tot de normatieve blik, zien empirische onderzoekers in dit gedrag tot oproepen tot rellen alsnog een onderliggend probleem dat als motief kan bieden voor dit geweld. Welke problemen (en dus motieven) dit zijn, kan herleid worden uit verschillende demonstraties die jongeren hebben georganiseerd in 2020 en jaren daarvoor.[8]

Conclusie

Er zijn twee perspectieven om naar geweld te kijken, zo ookin de context van de avondklok-rellen van januari. Ten eerste kijkt het normatieve perspectief vooral naar de goede en de kwade kant van geweld. Vanuit dit perspectief kan worden geoordeeld of het gedrag goed of slecht is. Het strafrechtelijk vervolgen van de relschoppers en de reacties vanuit de politiek en maatschappij kunnen dus gezien worden als een normatief perspectief. Ten tweede is het empirische perspectief besproken. Dit perspectief onderzoekt geweld op een meer diepgaande manier. Hiermee kunnen onderliggende problemen achterhaald worden, waardoor dit gedrag in de toekomst mogelijk voorkomen kan worden. Naast het hebben van een normatieve blik op geweld is het belangrijk dat men ook met een empirische blik kijkt naar de avondklok-rellen, zodat dit geweld in de komende jaren niet meer vertoond zal worden. Of de onderzoeken in de toekomst kunnen leiden tot het voorkomen van dergelijke rellen, is iets dat in de loop der jaren duidelijk gaat worden.


[1] N. Markus, ‘Tweede Kamer veroordeelt ‘on-Nederlandse’ rellen: ‘Mijn bloed kookt als ik dit zie’, 26 januari 2021, trouw.nl.

[2] ‘De Stemming van 24-1-2021’, 41 januari 2021, maurice.nl.

[3] I. van den Berg, ‘Jongeren worden onevenredig hard getroffen door de coronamaatregelen’, 12 september 2020, ad.nl.

[4] ‘Wat zijn de economische gevolgen van corona?’, cbs.nl.

[5] ‘Avondklok: gelegenheidsargument om te rellen of échte boosheid?’, 25 januari 2021, rtlnieuws.nl.

[6] L. Slooter, ‘De avondklok-rellen gaan voorbij goed en kwaad’, 2 februari 2021, socialevraagstukken.nl.

[7] ‘Avondklok: gelegenheidsargument om te rellen of échte boosheid?’, 25 januari 2021, rtlnieuws.nl.

[8] J. Hoenders & J. Boef, ‘Demonstreren: jongeren doen het meer dan ooit, maar wel anders dan hun ouders’, 6 juni 2020, eenvandaag.avrotros.nl.