De evolutie van de boa: van stadshandhaver naar de onlogische inbreuk op het geweldsmonopolie

door:

Geweldsmonopolie: het beginsel dat geweld alleen door politie en leger tegen burgers mag worden gebruikt onder strikte voorwaarden. Max Weber beschrijft het als een van de kenmerken van een soevereine staat.[1] Ten einde in extremis geweld te kunnen uitoefenen, zijn militairen en politie ook adequaat bewapend. Echter nu willen buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) ook bewapend hun taken uitvoeren. Onlangs zijn de plannen hiertoe voor de bewapening van boa’s concreter geworden.[2] De BOA Bond geeft aan een akkoord met de minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus (CDA) te hebben bereikt over bewapening.[3] Rechtvaardigt deze zelfverklaarde noodzakelijke zelf beschermingsregeling een inbreuk op het geweldsmonopolie?

 

De wetsgrond voor de boa ligt in het Wetboek van Strafvordering, buitengewone opsporingsambtenaren die zijn belast met het toezicht en naleving van verordeningen.[4] Boa’s worden bijvoorbeeld ingezet door gemeenten als verkeershandhavers of parkeerwachters. Ook de conducteur bij de NS die komt controleren wordt gezien als boa. Verder zijn milieu-inspecteurs, belastinginspecteurs en leerplichtambtenaren voorbeelden van een boa. Het valt hierbij op dat veel boa’s niet in directe dienst staan van de staat. In hun taak om  naleving te bevorderen, zijn ze tevens bevoegd boetes uit te delen en verdachten aan te houden. In het geval dat je toch besluit dat ene appje te versturen op de fiets, is het niet alleen oppassen geblazen voor politieagenten, ook boa’s zijn bevoegd het een heel erg duur appje te maken.

 

Tijdens het uitvoeren van hun taken, stuiten boa’s geregeld op lastige, opstandige of agressieve  burgers die hun autoriteit niet accepteren. In een poging om zich hiertegen teweer te stellen, willen boa’s al geruime tijd bevoegd worden wapens te dragen. De plannen zijn onlangs concreter geworden met een afspraak tussen de BOA Bond en minister Grapperhaus over een nieuwe regeling. Boa’s bepleiten de noodzaak  bewapening van iedere handhavende boa. In de plannen is sprake van toerusting van wapenstok en pepperspray. Van een inbreuk op het geweldsmonopolie van de staat is volgens hen geen sprake aangezien de bewapening slechts een verdedigingsfunctie zou hebben.[5] Pieter Van Vollenhoven stelt in het NRC dat de politie steeds meer op de achtergrond zal raken. De politie zal zich in de toekomst waarschijnlijk meer bezig moeten houden met opsporing en recherchewerk, terwijl de boa de ‘kleine’ vergrijpen, zoals parkeren, verkeersovertredingen en openbaar vervoer controleert. Op deze manier wenst V&J meer lagen te creëren in de openbare orde handhaving en de politie steeds meer inzetten op grotere criminaliteit.[6]

 

Wettelijk gezien zou dit dus leiden tot het dilemma dat een boa een met mes bewapende belager zou mogen afweren met pepperspray en wapenstok, om vervolgens deze te moeten wegleggen om de desbetreffende persoon aan te houden. Overigens bestaat er  al een wettelijke grond geschapen voor boa’s om in uitzonderlijke gevallen geweld te gebruiken indien de aard van hun taak dit vereist.[7] Daarnaast geeft artikel 4 lid 1 juncto 5 lid 1 Regeling Wapens en Munitie (een uitvoeringsregeling van de Wet wapens en munitie) al een grond voor boa’s om geweldsmiddelen te dragen. In Beleidsregels Bijzondere Opsporingsambtenaren wordt uitgelegd dat deze bevoegdheid in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. Tevens wordt hierbij uitgelegd dat ten aanzien van Wwm een restrictief beleid moet worden gehanteerd omdat het gebruik van een geweldsmiddel in beginsel alleen toekomt aan de staat. Indien een bepaalde groep boa’s bewapend wil worden, wordt er een nauwkeurige afweging gemaakt of er een doorslaggevende noodzaak voor bestaat.

 

Het grote verschil tussen het nieuwe voorstel en de bestaande wetgeving is dat alle handhavende boa’s voortaan bewapend worden met pepperspray en wapenstok. Het argument dat het slechts voor zelfverdediging is, is te weerleggen. Bewapening van politie en het leger vloeien voort uit het geweldsmonopolie. Vice versa gaat dit ook op; uit het geweldsmonopolie vloeit voort dat dit alleen de politie en het leger toekomt. Alhoewel er op deze regel ook uitzonderingen zijn geformuleerd, is de algemene regel nog steeds leidend.[8] Een nieuwe regeling om iedere handhavende boa te bewapenen, creëert een geheel nieuwe regel wat betreft de bevoegdheid tot geweldsuitoefening. Een nieuwe regeling om iedere handhavende boa te bewapenen gaat voorbij aan het feit dat in onze rechtsstaat het geweldsmonopolie zorgvuldig is ingekaderd en steeds verder is beperkt. Bewapening van boa’s laat dit zorgvuldige beginsel volledig los. In het geval dit geaccepteerd wordt, waar houdt de bewapening dan op?

 

Naast de hierboven genoemde juridische en staatkundige obstakels, zijn er ook praktische bezwaren. Er is weinig onderzoek verricht naar een mogelijk contra-effect. Zou meer bewapening niet kunnen leiden tot meer agressie? De reden voor de bewapening van boa’s is gelegen in bedreigende situaties waarin boa’s terecht komen. Dit bestrijden met meer geweld, betekent probleemoplossing conform de conservatief-Amerikaanse doctrine: geweld bestrijden met meer wapens. Wellicht meest vooraanstaande obstakel dringt zich de vraag op wanneer het geoorloofd is de wapens te gebruiken. Het kan niet de bedoeling zijn dat je een extra portie hoofdpijn bovenop je app-boete krijgt omdat je alleen maar naar de wettelijke grondslag van de boete vroeg. Een vraag waar wij ons als rechtenstudenten allen in zullen herkennen. Pieter van Vollenhoven stelt in het NRC dat goede voorlichting en aanvullende trainingen dit probleem zouden moeten oplossen.[9] De vraag werpt zich op hoe uitgebreid deze aanvullende trainingen zouden moeten zijn. De politie opleiding duurt 3 jaar en zelfs hierbij gaat het meer dan eens fout. Daarnaast moeten de studenten op de politieacademie voldoen aan strenge eisen en meerdere testen halen om te toetsen of ze een juiste afweging kunnen maken wat betreft geweldgebruik.

 

Ondanks kritiek, lijkt er toch een akkoord tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de BOA Bond gekomen. Niet alleen zijn hier juridische problemen, ook zijn er  maatschappelijke vraagstukken. In dit specifieke geval is er weinig onderzoek verricht, de BoaBond acht dit ook niet noodzakelijk. Volgens hen moeten resultaten uit de praktijk uitwijzen of dit een goede maatregel is. Aangezien de wet reeds ruimte voor uitzonderingen biedt, lijkt een apart akkoord niet aangewezen. De Wwm moet restrictief worden toegepast, de uitzonderingen voor sommige boa’s lenen zich daar uitstekend voor. Het beoogde akkoord is allesbehalve een restrictieve toepassing van de Wwm. Laatstelijk moet men zich de vraag stellen of de huidige opleidingsprogramma’s toereikend genoeg zijn om boa’s te bewapenen. Ten principale moeten wij ons de vraag stellen of we eigenlijk wel van het geweldsmonopolie af willen en iedereen die bezig is met handhaving geweldsmiddelen en -bevoegdheden geven.

 


[1] Max Weber, Politiek als beroep, 1919.

[2] Bastiaan Nagtegaal, Boa’s moeten zich toch kunnen verdedigen met wapenstok of pepperspray, NRC, 21 oktober 2019.

[3] Nederlandse Boa Bond, Doorbraak in veiliger maken van BOA-werk, 18 oktober 2019.

[4] artikel 141 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering.

[5]  Nederlandse Boa Bond, Doorbraak in veiliger maken van BOA-werk, 18 oktober 2019.

[6] Pieter Van Vollenhoven, Handhavers die bij geweld een stap terug doen? Onzinnig, NRC, 8 maart 2019.

[7] Artikel  7 lid 1 jo lid 9 Politiewet.

[8] Thijs Niemantsverdriet, Bij geweld moet een handhaver terugstappen, NRC 28 februari 2019.

[9] Pieter Van Vollenhoven, Handhavers die bij geweld een stap terug doen? Onzinnig, NRC, 8 maart 2019.

 

 


Discussie