De strafmaat bij kinderontucht: recht of onrecht?

Door: Jan-Hein Prins

Het is geen ongewone gebeurtenis om op een zaterdagochtend een nieuwsapp naar keuze te openen waarin wordt bediscussieerd of een verdachte te licht dan wel te zwaar is gestraft. De burger schuwt het delen van zijn mening in dergelijke gevallen vaak ook niet. Door uitspraken zoals “Had het aan mij gelegen, dan …” wordt duidelijk dat er in ieder wel een verborgen rechter zit die graag zijn oordeel wil vellen. Voor de media zijn criminaliteit en misdaad dan ook prettige onderwerpen om over te schrijven. Vaak zijn deze media zelfs de enige bron van informatie voor de bevolking als het gaat om justitiële zaken[1].

Hierdoor is het begrijpelijk dat burgers die enkel in aanraking komen met krantenkoppen als ‘Taakstraf geëist tegen verkeersregelaar voor kindermisbruik in Sprang-Capelle[2]’ van mening zijn dat kindermisbruik veel te licht wordt gestraft. Een taakstraf voor een ernstig misdrijf als kindermisbruik, een strafbaar feit dat tot de meest ophef veroorzakende misdrijven hoort, is voor hen onbegrijpelijk. Zijn de straffen voor kindermisbruik inderdaad zo laag en zo ja, waarom?

Welke straffen geëist kunnen worden
Allereerst is het handig om te weten wat de mogelijkheden van het Openbaar Ministerie (OM) zijn. Als het OM het vermoeden heeft dat er een sprake is van een zedendelict, kan ze bij de rechter op basis van artikelen 242 tot en met 250 Sr een veroordeling vorderen. Bij elk artikel staat een ander punt van een zedendelict centraal. Voor dit artikel zijn vooral artikel 242 en 244 Sr relevant. Artikel 242 Sr. stelt namelijk de maximumstraf voor verkrachting op twaalf jaren of een geldboete van maximaal EUR 82.000,- (art. 23 lid 4 Sr.). Artikel 244 Sr koppelt dezelfde straf aan het seksueel binnendringen van kinderen onder twaalf jaar. Hieruit blijkt dat de wet ervan uitgaat dat geen twaalfjarig kind een seksuele relatie aan zou gaan of zou mogen gaan met een volwassene. Voor een seksuele handeling kan het OM maximaal acht jaar celstraf eisen als het kind de leeftijd van twaalf jaar, maar niet die van zestien jaar, heeft gepasseerd (art. 245 Sr.). In sommig gevallen kan een hogere straf worden geeist dan het maximum. Robert M. kreeg bijvoorbeeld in 2013 negentien jaar celstraf en tbs voor het misbruiken van 67 zeer jonge kinderen op de creche waar hij werkzaam was.

Welke straffen daadwerkelijk worden opgelegd
In de praktijk blijkt dat de maximale celstraf van acht tot twaalf jaar eerder als een theoretische mogelijkheid gezien moet worden. Dit blijkt uit cijfers van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen[3]. De Nationaal Rapporteur doet, in opdracht van de overheid, onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen. In dit onderzoek zijn op willekeurige wijze de veroordelingen opgevraagd van mensen die zijn veroordeeld voor het plegen van hands-on ontucht in de periode 2012-2013. Dit zijn ontuchtzaken waarbij fysiek contact is tussen de dader en het slachtoffer, kinderporno valt hier bijvoorbeeld niet onder. Uit deze steekproef kwamen de volgende statistieken naar boven:

  • Van de 137 veroordeelde volwassenen is er in 89% (121) van de gevallen sprake van betasting van het geslachtsdeel of penetratie.
  • Van de 137 veroordeelden kreeg 43% een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf.
  • Van de 22 veroordeelden (16%) die een onvoorwaardelijke celstraf opgelegd gekregen, komt 65% weer binnen één jaar vrij.
  • De gemiddelde leeftijd van de slachtoffers is 10,4 jaar.
  • De mediaan van de leeftijd van de dader is 34 jaar. Één op de drie daders is onder de 24.
  • Problemen met lichamelijke of geestelijke welstand hebben een strafverlagende werking.
  • Een positieve proceshouding (bekennen, schuld bekennen en spijt betuigen) lijdt vaak tot een lagere straf. Het omgekeerde lijdt tot een hogere strafmaat[4].

De rechter deelt in veel van de gevallen niet de onderbuikgevoelens van menig burger, die vaak denkt ‘geen straf is hoog genoeg’.

Wetgevende macht en het OM
De wetgever lijkt in dit geval aan de kant van de burger te staan. Volgens art 22b Sr is het verboden om misdrijven met een maxiumumstraf van meer dan zes jaar die tevens inbreuk maken op de lichamelijke integriteit te bestraffen met enkel een taakstraf. Hier wordt het de rechterlijke macht dus impliciet verboden om een taakstraf op te leggen voor zedendelicten. Rechters kunnen hier echter vrij eenvoudig omheen door de taakstraf te combineren met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest of door de taakstraf te combineren met één dag gevangenisstraf.

Ook het OM lijkt zwaarder te willen straffen in verhouding tot wat de rechtbank doorgaans doet. Dat blijkt uit het verschil tussen de Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen[5] en de daadwerkelijk opgelegde straffen. Dit wordt ondersteund door de Nationaal Rapporteur. In 73% van de gevallen oordeelt de rechter tot een lagere onvoorwaardelijke celstraf (51%) of juist helemaal geen celstraf (22%)[6]. Als de rechter tot een lagere onvoorwaardelijke celstraf komt is deze in twee van de drie gevallen meer dan zes maanden korter. Overigens blijkt de strafeis statistisch gezien één van de meest invloedrijke factoren op de uiteindelijke straf. Een voor de hand liggende verklaren hiervoor is dat het OM en de rechter beide in staat zijn om de ernst van een delict in te schatten. Hoe weerzinwekkender de daad, hoe zwaarder de straf die het OM zal eisen. Indien bewezen wordt verklaard dat de verdachte schuldig is, zal de rechter dezelfde overweging maken als het OM en zodoende tot een relatief hoge straf komen.

Deze neutrale, misschien terughoudend lijkende houding, van de rechter is echter verklaarbaar en goed te begrijpen. De factoren die hierbij een belangrijke rol spelen, zullen hieronder besproken worden.
Allereerst speelt de ernst van het specifieke delict een rol bij de strafbepaling. Zo wordt penetratie met of van het geslachtsdeel doorgaans zwaarder gestraft dan lichtere vormen van ontucht, zoals betasting. Dit verklaart echter nog niet waarom de straffen die door de Nationaal Rapporteur werden benoemd relatief laag uitvallen ten opzichte van de maximale straf en de straf die de burger zou verwachten. Het gaat in de eerdergenoemde statistieken naemlijk in ruwweg negen van de tien gevallen om één van de twee zwaarste vormen van ontucht.

Ten tweede speelt, zoals uit de eerdergenoemde statistieken blijkt, de houding van de dader en de daaraan gelinkte kans op recidive een rol. Binnen een rechtssttaat, zoals we die in Nederland kennen, heeft het straffen van daders meerdere doelen: i) vergelding ii) afschrikking en iii) voorkoming van herhaling. De burger zal bij ontuchtzaken, waar veelal een hoop emotie komt kijken, de nadruk willen leggen op het punitieve aspect van het recht. De rechter wordt echter geacht om alle factoren mee te nemen in zijn overweging. De maatschappij heeft er geen baat bij dat mensen hun hele leven lang opgesloten worden.

Een belangrijke factor of de rechter de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf, taakstraf of toezicht, zal dan ook afhangen van het ingeschatte risico op recidive. Tevens worden acties ondernomen om dit risico te verlagen. De rechter legt in vrijwel alle veroordelingen, naast de hoofdstraf, ook een behandeling of toezicht op[7]. Onderzoek naar de effectiviteit van behandeling op recividive ondersteunt deze keuze. Zo claimen Witt en Greenfield dat de behandeling van ontuchtplegers de kans op herhaling kan verlagen met tot wel 30%[8]. Dit sluit aan bij vergelijkbaar onderzoek dat ook uitwees dat behandelde patienten een lager risico op herhaling hadden dan ontuchtplegers die geen behandeling hebben gehad[9]. Voor een goede behandeling is het echter van belang dat de ontuchtpleger hieraan mee werkt. Kenmerken hiervan is het zelfstandig starten van een behandeling, het accepteren van de opgelegde behandeling, het accepteren van schuld, toegeven dat een dergelijke handeling onaanvaadbaar was en het tonen van berouw. Deze aspecten verklaren waarom een rechter, die bekend is met deze informatie, een lagere straf zou geven aan deze verdachten.

De meeste zaken die het nieuws halen, zijn niet representatief voor de zaken die dagelijks voor de rechter verschijnen. Hierdoor is de verontwaardiging die mensen voelen bij het feit dat kindermisbruik met een taakstraf wordt bestraft, niet helemaal gerechtvaardigd. Zo zijn er in de gehele steekproef van de Nationaal Rapporteur géén verdachten veroordeeld voor ontucht met extreem jonge kinderen. Neem bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Limburg op 12 november 2013[10]. Hier veroordeelde de rechtbank de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk. Het concrete geval: de achttienjarige verdachte had volgens de rechtbank de intentie om een wederzijdse relatie op te bouwen met het dertienjarige meisje en is daarin ‘te hard van stapel gelopen’. Dat zaken met een jonge verachte die geen kwaadaardige bedoelingen jegens het slachtoffer erop nahield op deze manier worden afgehandeld, is begrijpelijk. Het gemiddelde leeftijdverschil tussen dader en slachtoffer in ontuchtzaken echter 24 jaar[11]. Hierbij zijn ook daders die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt meegenomen. Wordt er alleen naar veroordelingen van volwassenen gekeken, dan zou het leeftijdsverschil dus nog groter zijn. Zaken zoals hier bij de Rechtbank Limburg voorkwamen zijn dus niet de regel.

De daadwerkelijk opgelegde straf is overigens niet de enige straf die een verdachte te verduren krijgt als hij wordt veroordeeld. Wat een onderdeel is van elke verdenking bij een misdrijf, speelt helemaal een rol bij de verdenking van een zedendelict. Hier gaat het over de gevolgen van het aangewezen worden als verdachte van een zedendelict. Die persoon zal worden vastgezet, diens woning zal worden doorzocht en bewijsmateriaal zal in beslag worden genomen. Als het leraren zouden betreffen zullen zij worden ontslagen en werknemers in andere sectoren zullen hun baan niet zeker zijn. Ook zonder veroordeling wordt een VOG zelden verstrekt aan verdachten in een actief onderzoek. Want waar rook is, daar is vuur. In het maatschappelijk verkeer ervaart een verdachte van ontucht dus meer schade door de verdenking dan bij andere misdrijven. Hierdoor is het voor iemand die wordt verdacht van - of is veroordeeld tot - een zedendelict moeilijker om opnieuw zijn plek te vinden in de maatschappij. Bovendien, als iemand wordt veroordeeld tot een celstraf en hierdoor zijn baan verliest, worden zijn vooruitzichten alleen maar slechter, waardoor de kans op verdere ontsporing toeneemt. In het algemeen blijkt dat daders die zijn veroordeeld tot een taakstraf minder snel opnieuw met justitie in aanraking komen dan zij die tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld[12]. Of dit ook voor zedendelicten het geval is, is onbekend. 

Een andere verklaring voor de kloof tussen de enerzijds punitieve burger en anderzijds de objectieve rechter die (mogelijk te) lage straffen uitdeelt, is de toegang tot informatie. Hierbij kom ik terug op het eerdergenoemde punt dat de bevolking grotendeels afhankelijk is van de media voor hun (beperkte) informatie over rechtszaken. Door deze beknopte berichtgeving komen niet alle omstandigheden van het geval naar boven. Deze strafverminderende of strafverzwarende omstandigheden zijn echter van fundamenteel belang voor de vaststelling van de uiteindelijke straf. Uit verschillende onderzoeken blijkt dan ook dat wanneer de ‘normale’ burger meer informatie krijgt, de straf die zij rechtvaardig acht genuanceerder wordt. Als deze burger daadwerkelijk in de rol van rechter treedt, lijken de straffen dan ook meer op zoals in de realiteit[13].

Kinderontucht blijft een lastig onderwerp waar veel gevoelens bij komen spelen. Het is dan de taak van de rechtspraak om de gevallen zo objectief mogelijk te beoordelen. Veel gevallen zullen, na een lastige bewijsprocedure, met een relatief lage straf worden afgesloten. Deze straf wordt vaak gecombineerd met een behandeling, om zo de kans op herhaling te voorkomen. In de gevallen waar het gaat om extreme mate van stelselmatig misbruik, zoals Robert M., heeft de rechterlijke macht genoeg mogelijkheden op hoge straffen van bijvoorbeeld 19 jaar op te leggen. Dat deze mogelijkheid doorgaans weinig wordt toegepast, zal voor velen onbegrijpelijk zijn. Zij dienen er echter op te vertrouwen dat rechters alle omstandigheden van het geval meenemen om tot een maatschappelijk en rechtsprakelijk optimum te komen. De zaak tegen Robert M. weerspiegeld dit. Kennis over de omstandigheden van het geval en het feit dat rechters niet alleen aan vergelding denken zijn waarschijnlijk de grootste oorzaken van de kloof tussen de emotionele burger en de objectieve rechter. Hoe weerzinwekkend het idee van kinderontucht ook is, deze mensen zullen ooit weer terug moeten keren in de maatschappij. De rechter lijkt de voorkeur te hebben voor alternatieve straffen dan een directe onvoorwaardelijke celstraf. Als de kans op herhaling lager is bij een behandeling met een taakstraf, dan is dat in mijn ogen een juiste overweging. Van de gevangenis, doch soms noodzakelijk, wordt niemand een beter persoon.

 


[1] REYNAERT, H. et al., Naar een DJ-overheid? Burgers en hun overheid, Brugge, Vanden Broele, 2006,

[2] ‘Taakstraf geeist tegen verkeersregelaar voor kindermisbruik in Sprang-Cappelle. 07/02/10. https://www.bd.nl

[3] Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen. Den Haag: Nationaal Rapporteur. p20-35

[4] Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen. Den Haag: Nationaal Rapporteur. p71

[6] Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen. Den Haag: Nationaal Rapporteur. p68-72

[7] Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen. Den Haag: Nationaal Rapporteur. p 68-72

[8] Witt, P.H. & Greenfield, D. (2001). Pedophilia. In C.D. Bryant (Ed.), Encyclopedia of criminology and deviant behavior, Vol. III: Sexual deviance.

[9]Keith F. Durkin PhD & Allison L. Digianantonio (2007) Recidivism Among Child Molesters, Journal of Offender Rehabilitation, 45:1-2, 249-256

[10] Rechtbank Limburg 12 november 2013 ECLI:NL:RBLM:2013:8593.

[11] Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Ontucht voor de rechter. Deel 1: De zaken. p15

[12] Wermink, H., Blokland, A., Nieuwbeerta, P., & Tollenaar, N. (2009). Recidive na werkstraffen en na gevangenisstraffen: een gematchte vergelijking. Tijdschrift voor Criminologie, 51(3), 211-227.

[13] De Keijser, J.W.D. en Elfers, H., "Straffen in context: het effect van referentiekaders op de publieke opinie over straf", Tijdschrift voor criminologie, 2008, 50, 233-247.


Discussie