Geen hechtenis voor een doodrijder is prima

door:
Een verkeersongeval zit in een klein hoekje. Vaak valt het wel mee, maar soms gaat het goed fout en vallen er doden. Wanneer doden zijn gevallen of personen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, kan het Openbaar Ministerie besluiten om de veroorzaker te vervolgen (art. 6 WVW 1994). Vaak komen de ‘doodrijders’ er met een taakstrafje of zelfs vrijspraak van af.[1]De ophef in Nederland over de straffen bij doodrijdingen is groot. Ten onrechte.

De ophef over de straf van de doodrijding van een tweejarig meisje en haar opa en oma was groot. Zo groot zelfs dat de rechter een stoel naar zijn hoofd gegooid kreeg door de vader van het jonge slachtoffertje. Rechtbank Limburg had net de bestuurder, die zijn dochtertje en ouders doodreed, veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. De rechtbank vond het nodig een aanvullende verklaring af te leggen over haar overwegingen.[2]De ophef was ook buiten de rechtszaal te merken: de Vereniging van Verkeersslachtoffers bood toenmalig staatssecretaris Fred Teeven op 6 januari 2015 een petitie met ruim 25.000 handtekeningen aan. De vereniging protesteert in de petitie tegen het opleggen van taakstraffen bij ernstige verkeersovertredingen. Niet alleen bij deze zaak leidt de uitspraak tot verbazing, maar een snelle zoektocht op internet brengt talloze zaken naar boven.[3]“Hoe onrechtvaardig kun je zijn?” hoor je veel over de straffen van doodrijders. Rechtvaardiger dan je wellicht zou denken.

De 'spelregels'

OM en rechter moeten bij verkeersdelicten altijd kiezen tussen twee wetsartikelen – met uitzondering van de gevallen waarin iemand zó roekeloos heeft gereden dat hij bijna bewust uit was op een ongeluk en er dus sprake is van opzet. Was het de overtreding ‘gevaarlijk rijgedrag’ (artikel 5 WVW 1994), of het misdrijf ‘dood/letsel door schuld’ (artikel 6 WVW 1994)? Bij een overtreding past een werkstraf, voor een misdrijf kan een gevangenisstraf worden opgelegd.

De ‘spelregels’ over de hoogte van een straf voor een misdrijf staan in de richtlijn van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).[4]De hoogte van boetes voor overtreding van artikel 5 WVW 1995 staan in de Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval.[5]Deze richtlijnen zijn bedoeld om daders van vergelijkbare delicten ook vergelijkbaar te straffen.

In de richtlijn LOVS staat bij artikel 6 van de Wegenverkeerswet - het veroorzaken van een ongeval - dat er bij een dodelijk slachtoffer straffen horen tussen de 240 uur taakstraf en 4 jaar cel. Daarbovenop hoort altijd een tijdelijke intrekking van het rijbewijs.

Hoe hoog de hechtenis onder specifieke omstandigheden precies moet zijn, is in de LOVS-richtlijn nog verder uitgewerkt. Doorslaggevend is daarbij de mate van schuld van de veroorzaker en of hij alcohol gedronken heeft. Wat overblijft voor het bepalen van de hoogte van de straf is de mate van schuld. Bij ‘ernstige schuld’ hoort volgens de richtlijn een hechtenis van zes maanden.

Opzet

Bij verkeersongelukken spreek je zelden tot nooit over opzet. Niet in juridisch opzicht, niet in maatschappelijk opzicht. Geen enkele automobilist gaat van huis om even wat mensen dood te rijden. Geen opzet dus. Over het algemeen betekent dat het einde van vervolging in het strafrecht. Bij verkeersongelukken echter niet. Verkeersongevallen zijn zogenoemde ‘culpadelicten’; delicten waar opzet niet nodig en schuld voldoende is. Als iemand wordt doodgereden in het verkeer, is het soms een ongeluk en soms is er een schuldige.

Dat klinkt logisch, maar het verschil tussen ongeluk en schuld is in het verkeer vaak subtiel en moeilijk vast te stellen, terwijl de consequenties sterk verschillen. In het eerste geval krijgt de dader geen (zware) straf, in het tweede geval kan hij een flinke gevangenisstraf krijgen tot maximaal zes jaren. Bij nabestaanden leidt dit regelmatig tot woede en onbegrip.

De juridische verwijtbaarheid van automobilisten gaat steeds met een stapje omhoog. Van een eenvoudige onvoorzichtigheid (even niet opletten) via een grove verkeersfout tot roekeloosheid (met drank op in een drukke binnenstad hard door een rood verkeerslicht knallen). Zeker in het verkeersstrafrecht dient rijgedrag niet statisch te worden vastgelegd op de einduitkomst, maar als het ware filmisch te worden gevolgd in zijn evolutie. Zo mag een automobilist er van uitgaan dat een overstekende voetganger correct zal oversteken en dat een andere weggebruiker die hem voorrang moet geven dat ook correct zal doen en daarop zijn rijgedrag afstellen. Pas op het moment dat het voor hem duidelijk moet zijn dat de oversteker dronken is of dat de andere weggebruiker geen voorrang zal geven, dient hij zijn eigen gedrag bij te stellen. In het geval dat er een aanrijding volgt moet niet alleen naar de slotfase worden gekeken, maar moet het oordeel over het rijgedrag van de automobilist afhankelijk worden gesteld van de vraag of hij in de onderscheiden stadia van de verkeersontwikkeling telkens een legitieme afweging heeft gemaakt tussen eisen van vlotheid en eisen van veiligheid.[6]Iemand ‘simpelweg’ niet zien of iets te hard rijden, levert geen schuld op.

Causaliteit

Ooit werd een beschonken bestuurder van een speedboot na een fataal ongeluk vrijgesproken. De boot voer tegen een boomstam die onder water verborgen lag. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het ongeluk ook zonder alcohol niet te voorkomen was. De fout (met alcohol op een boot besturen) is niet causaal met het gevolg. Dit werkt net zo goed door op de weg. Als een automobilist door een laaghangende zon geen voorrang verleent en botst tegen een brandstoftruck, die op zijn beurt zich in een kleuterschoolgebouw boort en daar ontploft, zijn de doden die daarbij vallen niet één op één aan de automobilist te rekenen. Logisch toch? Waarom is dit dan anders op het moment dat iemand iets te hard rijdt de macht over het stuur verliest in een bocht, de auto gaat tollen en een fietser raakt? Uiteindelijk is het zelfs nog maar zeer de vraag of louter te hard rijden kan leiden tot roekeloosheid. In dat geval zouden vele duizenden Nederlanders iedere dag roekeloos rondrijden.

Publieke opinie

In 2013 brak een vechtpartij uit in Rechtbank Den Haag toen de officier van justitie een taakstraf eiste voor het doodrijden van de 13-jarige Donnie Rog.[7]Ook dit jaar was de verontwaardiging groot toen een Uber-chauffeur een 22-jarige Amsterdammer in maart 2017 doodreed en twee weken geleden werd vrijgesproken. Het OM eiste 240 uur taakstraf, maar de rechtbank vindt dat de chauffeur niets te verwijten valt.[8]

Op social media en menig nieuwsplatform ontploft een bom na deze uitspraak. “De aanpak van veroorzakers/daders is een treurigheid in dit land. […] Vergeleken met de slachtoffers of hun nabestaanden worden veroorzakers schandalig verwend.”en “Wedden dat die vent die jl. zaterdag een zachtgekookt ei op een demonstrant deponeerde niet met vrijspraak wegkomt?”wordt geschreven op het discussieforum van PowNed.

„Naast zedenzaken zijn verkeersongelukken voor rechters de moeilijkste zaken die er zijn”, zegt Rinus Otte, voormalig hoogleraar verkeersrecht in Groningen en raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een interview met NRC.[9]Allereerst vanwege de heftige emoties bij de familie van de slachtoffers. Emoties die voor de rechter dichtbij komen, zegt Otte. „Ook rechters nemen deel aan het verkeer en maken fouten. Dit soort ongelukken komen dus veel dichterbij dan moord of doodslag.”

Maar de rechter weet ook dat er lang niet altijd een straf tegenover zal staan, laat staan een stevige. Want, en dat is de tweede complicatie, in het verkeer kan een kleine vergissing of een moment van onoplettendheid enorme gevolgen hebben. Otte: „Het gaat bij verkeersongelukken in de kern van de zaak vaak om overtredingen die iedereen maakt. Ook de nabestaanden en medewerkers van justitie rijden waarschijnlijk wel eens te hard.”

Overal staat te lezen dat het doden nooit zou mogen leiden tot een werkstrafje. Juridisch is dat in verkeerszaken echter heel goed te verdedigen. Een straf moet namelijk altijd in lijn zijn met de mate van schuld. Met verwijtbaar gedrag en niet met de gevolgen.

Vervolging wegens doodslag of dood door schuld?

Is het dan niet mogelijk om bij bepaalde ongelukken toch te spreken van opzet? Als je met alcohol op achter het stuur kruipt of veel te hard rijdt, neem je toch wel de aanmerkelijke kans op een ongeval voor lief? Toch blijft het bijzonder lastig om opzet bewezen te krijgen, zo blijkt ook uit het gevestigde Porsche-arrest van 1996.[10]In het recht wordt er vanuit gegaan dat niemand opzettelijk een ongeluk veroorzaakt, omdat niemand bij goed verstand bewust zichzelf pijn of letsel wil toebrengen en dit gevolg ‘op de koop toe neemt’.[11]

Waar het in geval van art. 287 Sr gaat om een materieel omschreven opzetdelict, dient het opzet (mede) gericht te zijn op het teweeggebrachte gevolg. Dat opzet kan zich voordoen in verschillende varianten. Allereerst het geval dat de verdachte zijn gedraging willens en wetens heeft gericht op de dood van zijn slachtoffers, waarmee de Hoge Raad opzet als zekerheids-, noodzakelijkheids‑of waarschijnlijkheidsbewustzijn samenvat. Ten tweede opzet als mogelijkheidsbewustzijn, of wel voorwaardelijke opzet (kansopzet, dolus eventualis): de verdachte heeft zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen, in de zin dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Nu het in dit soort zaken gaat om voorwaardelijk opzet, is de vraag hoe dit van bewuste schuld moet worden afgescheiden.

Voor voorwaardelijk opzet is ten eerste een kenniselement vereist: de dader moet zich van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg bewust zijn geweest. Het bewust horen te zijn of het redelijkerwijs kunnen begrijpen, eigen aan schuld-onachtzaamheid, is niet voldoende.[12]Bovendien geldt voor voorwaardelijk opzet een wilsvereiste: de dader moet die kans willens en wetens hebben aanvaard, voor lief hebben genomen, op de koop toe hebben genomen. Het voorwaardelijke opzet, zowel het willen als het weten, kan in beginsel worden afgeleid uit de verklaring van de verdachte en/of de bijzondere omstandigheden van het geval. Als gedrag een normatieve betekenis heeft dan kunnen willen en weten worden vastgesteld aan de hand van de maatschappelijke strekking van het gedrag. Maar juist het ‘emotionele element’ van het op de koop toenemen verschaft de rechter de ruimte om, bij de afscheiding van enerzijds het op de koop toe nemen bij voorwaardelijk opzet en anderzijds de lichtzinnigheid bij bewuste schuld, eigen psychologische overwegingen op het conto van de dader te schrijven en vervolgens te laten meewegen. In het licht van deze psychologische overweging als uitgangspunt krijgen andere aspecten van het rijgedrag betekenis dan alleen de louter gevaarlijke. Aldus bezien zou de maatschappelijke betekenis van het rijgedrag van de verdachte juist kunnen zijn, dat hij een botsing niet wilde aanvaarden.[13]Juist dit laatste punt staat in de weg om vervolging in te stellen op grond van het opzetdelict doodslag.

Tijdloze discussie

Voor vervolging van wegpiraten die zwaar lichamelijk letsel of de dood van een ander teweegbrengen wegens zware mishandeling (art. 302 Sr) of wegens doodslag (art. 287 Sr) heeft altijd al een grote terughoudendheid bestaan. De discussie over mogelijkheid en wenselijkheid is al hoog opgelaaid in 1994, toen in Vlissingen een motorrijder, met een snelheid van ongeveer 150 km per uur waar 50 km was toegestaan (althans volgens persberichten), een zevenjarig meisje doodreed en slechts op grond van art. 36 WVW (reeds vervallen) werd vervolgd in plaats van primair op grond van doodslag.[14]

Als de toepassing van deze regels op het verkeer zo lastig is dat het regelmatig groot onbegrip oplevert bij burgers, moet het dan niet anders? In het verleden zijn veel praktische oplossingen aangedragen, zoals het verplichten van een ‘zwarte doos’ in auto’s, zodat altijd achteraf de snelheid kan worden vastgesteld. Ook gaan er juridisch radicale oplossingen rond in de hoofden van sommige rechtsgeleerden: schrap ‘schuld’ uit de wegenverkeerswet. Dan blijven overtredingen over, die je zwaarder moet kunnen bestraffen dan nu, en opzet als er geen twijfel is over de bedoeling van de dader. Het lastige is dat deze ‘oplossingen’ aan de wetgever zijn, die tot nu toe weinig aanstalten heeft gemaakt om wijzigingen door te voeren op dit gebied.

Lage straffen voor ongelukken met ernstige gevolgen. Gevoelsmatig is het onacceptabel, maar vanuit het rechtsperspectief heel logisch. We moeten hier niet uit het oog verliezen dat het (straf)recht objectief moet blijven: Vrouwe Justitia is blind. Is het wenselijk als we in het strafrecht zo ver gaan dat we emoties toelaten in de werking van dit recht en afstand nemen van de objectieve rechtspraak?


[1]Resp. Rechtbank Limburg 21 november 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:10041; Rechtbank Amsterdam 14 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8081.

[2]Rechtbank Limburg, 21 november 2014 ‘Veroordeling voor verkeersongeval met drie doden in Meijel’www.rechtspraak.nl.

[3]‘Rechter over taakstraf voor joyrider na dodelijk ongeluk: 'Geen rijbewijs betekent niet dat je niet kunt rijden', 27 juli 2017, www.AT5.nl.

[4]www.rechtspraak.nl, LOVS (zoek op: ‘LOVS’)

[5]www.OM.nl, richtlijn 2015R022 (zoek op: ‘richtlijn verkeersongevallen’)

[6]A.C. ’t Hart, Strafrecht en beleid, Leuven/Zwolle 1983, p. 312–315.

[7]‘Flinke vechtpartij in Haagse rechtbank’ 22 juli 2013 www.nu.nl.

[8]Rechtbank Amsterdam 14 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8081.

[9]E. Jorritsma, 27 november 2014 ‘Er zijn emoties waar geen straf tegen op kan’, NRC.

[10]Hoge Raad 15 oktober 1996, NJ 1997/199.

[11]Hoge Raad 15 oktober 1996, reeds aangehaald (r.o. 5.4 en 5.5).

[12]Conclusie van de A‑G Fokkens, HR 8 juli 1992, NJ1993, 13.

[13]A.C. ’t Hart, NJ1997, 199.

[14]Inleidende strafrechtsdogmatiek voor het Zeeuwse parketdoor ‘Woordkramer’, VR 1995, p. 172; P.H.S. van Rest in Algemeen Politieblad 1996, 9, p. 20–21

 


Discussie

Relevante artikelen