Geert Wilders schuldig verklaard in ‘minder Marokkanen’-proces

Den Haag - Inmiddels 2.361 dagen na het voornaamste voorval, laat het Gerechtshof Den Haag zich uit over de vraag of Geert Wilders (PVV) zich heeft schuld gemaakt aan het aanzetten tot haat, discriminatie en groepsbelediging. Het gerechtshof oordeelt dat Wilders zich schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging; voor het aanzetten tot discriminatie, is hij vrijgesproken.

Op 19 maart 2014 hield Wilders een verkiezingsbijeenkomst in Grand Café De Tijd te Den Haag. Tijdens deze bijeekomst hield Wilders een speech, die is opgenomen en (onder andere) is uitgezonden op het NOS-journaal. Tijdens deze speech heeft Wilders het publiek met voorafgaande vragen opgejut en stelde hij uiteindelijk de vraag: “Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?” waarna het publiek meermalen ‘minder’ riep. Wilders eindigde de speech met de woorden: “Nah, dan gaan we dat regelen.

Wilders werd in eerste aanleg al veroordeeld voor het in het openbaar beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en het aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras. De rechtbank legt echter geen straf of maatregel op.[1] Zowel Wilders als het OM gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Alleen een vraag gesteld
Wilders heeft zich meermaals verbaasd over de ingezette vervolging. Hij zou alleen maar een vraag hebben gesteld. Volgens Wilders is het stellen van een vraag absoluut niet strafbaar. Echter, zowel de rechtbank als het gerechtshof gaan hier niet in mee. Uit de verklaringen van getuigen, zoals de campagneleider van Wilders, blijkt dat er geen sprake was van het alleen maar stellen van een vraag, maar van een vooraf geregisseerde interactie met het publiek.

Politiek proces
Sinds het begin van het ‘minder Marokkanen’-proces stelt Wilders dat er sprake is van een politiek proces. In hoger beroep was dat wederom een van de belangrijkste punten van de verdediging. Gedurende het hoger beroep ging de aandacht vooral uit naar de vraag of de ambtenaren van het OM hebben aangestuurd op de veroordeling van de politicus. Heeft het OM daarmee een grens overschreden?

Het gerechtshof heeft naar aanleiding van die vragen alle correspondentie opgevraagd bij het Openbaar Ministerie en het ministerie van Justitie en Veiligheid omtrent de vervolgingsbesluiten in deze strafzaak. Hierdoor liep het proces maandenlange vertraging op en ontvingen de procespartijen een boekwerk aan e-mails, notities en gesprekken. Uit de correspondentie blijkt dat hoog in het ministerie van Veilgheid en Justitie gesprekken zijn gevoerd over het proces. Maar, zo stelt het OM, zij heeft zelf de vervolgingsbeslissing genomen. Dat er topambtenaren hebben nagedacht over het proces, heeft hun werk niet beïnvloed. De verdediging eist niet-ontvankelijkheid van het OM, vanwege politieke bemoeienis. Doordat het ministerie zich ‘in het geheim, op geraffineerde wijze’ heeft bemoeid met de strafzaak, heeft het proces ‘onherstelbare schade’ opgelopen, aldus de advocaat van Wilders. Het gerechtshof gaat dan ook, net als de rechtbank, niet mee in het verweer van Wilders. Het gerechtshofacht het niet aannemelijk dat de minister, of andere topambtenaren binnen het ministerie, invloed hebben uitgeoefend op het OM om Wilders te vervolgen en zet de procedure door.

Vrijheid van meningsuiting versus discriminatie
Wat eigenlijk centraal hoort te staan in deze procedure is de vraag waar de grens van vrijheid van meningsuiting ligt. Zeker voor een politiek figuur is die grens erg vaag. Ergens wil je als samenleving dat een politiek figuur moet zeggen wat hij wil, want dat draagt bij aan het maatschappelijke debat en is een visie die hij, als politicus, wil uitdragen. Aan de andere kant is het bereik van een uiting van een politicus enorm. Het is niet zomaar een uitspraak die wordt ontvangen door een handje vol mensen, maar wordt enorm uitvergroot in de media. Want laten we eerlijk zijn, iedereen kan zich het filmpje van de verkiezingstoespraak nog wel herinneren. Zo zie je dat ineens het hele land betrokken wordt bij uitspraken die bij heel veel mensen in het verkeerde keelgat kunnen schieten. Voor beide standpunten is dan ook veel te zeggen, maar dat maakt het niet heel veel duidelijker.

Ruime uitingsvrijheid?
Er is maar één grens die we moeten trekken, vond filosoof John Stuart Mill in 1859. De Britse filosoof bepleitte de meest verstrekkende vorm van meningsuiting. Wat jou niet bevalt, is voor een ander misschien wel een belangrijke waarheid, die wij als samenleving maar moeten leren accepteren. Die ander moet zijn mening kunnen verkondigen, ook omdat jij dan mogelijk van gedachten verandert. En is andermans gedachte écht absurd? Dan is het nog steeds handig: dan zie jij beter in waarom je gelijkt hebt, aldus Mill. Deze ruime uitleg aan de vrijheid van meningsuiting is er echter nooit gekomen.

Juridische grenzen
Het gerechtshof hamert erop dat de vrijheid van meningsuiting een enorm groot en waardevol goed is in een democratische rechtstaat als Nederland. Toch zijn er grenzen. De uitingsvrijheid moet in sommige gevallen afgewogen worden tegen een ander recht of belang om te bepalen wat mag en niet. Een rechter moet dan bepalen welk recht zwaarder weegt. In onderhavige zaak liggen twee fundamentele grondrechten elkaar in de weg: vrijheid van meningsuiting en het verbod op discriminatie en de bescherming van iemands reputatie. Om deze afweging te maken wordt een brede toetsing uitgevoerd. Wat is de exacte inhoud van de uiting? Wie doet deze uiting? In welke context wordt deze uiting gedaan? Draagt deze bij aan het maatschappelijke debat? Allemaal vragen waar een rechter voor staat op het moment dat vrijheid van meningsuiting botst met een ander fundamenteel recht.

De Hoge Raad heeft in het kader van vrijheid van meningsuiting versus discriminatie, c.q. aanzetten tot haat, een toetsingskader ontwikkeld om te kunnen beoordelen in hoeverre uitlatingen strafbaar zijn. In die jurisprudentie zijn drie stappen te onderscheiden:

  • Heeft de uitlating op zichzelf een onnodig grievend karakter?
  • Zo ja, neemt de context waarin de uitlating is gedaan het grievende karakter van de uitlating weg?
  • Zo ja, is de uitlating toch onnodig grievend?

Er dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij het van belang is of een uitlating naar algemene spraakgebruik beledigend is. Verder dient gekeken te worden naar de context waarin deze uitlating is gedaan. Is deze uiting gedaan in het kader van een maatschappelijk debat? Zo ja, heeft deze uitlating dan een bijdrage geleverd of kan deze uiting een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat? Maar zelfs als dat zich voordoet, mag een uiting niet ‘onnodig grievend’ zijn.

Oordeel gerechtshof
Het gerechthof is van mening dat de uitingen van Wilders wel degelijk onnodig grievend zijn geweest. Er werd tijdens het uiten ook geen context gegeven van de uitingen. Het was een grievende uiting, gericht tegen een minderheidsgroepering, zonder enige nuancering. Er is weloverwogen gekozen voor deze manier van uiten en er is met opzet gekozen voor een moment waarop een heel groot bereik wordt behaald, namelijk tijdens uitzendingen van onder andere het NOS-journaal. Er is ten tijde van het uiten geen nuancering gedaan over de groep waar Wilders over sprak, waardoor de gehele groep ‘Marokkanen’ werden aangesproken. Het gerechtshof vindt dan ook dat Wilders met zijn opmerkingen te ver is gegaan en heeft hem schuldig verklaard.

Schuldig, maar geen straf
Wilders wordt schuldig verklaard, maar krijgt geen straf of maatregel opgelegd. Het gerechtshof vindt dat Wilders al genoeg moet ‘betalen’ voor het verkondigen van zijn mening. Wilders loopt immers met permanente beveiliging rond, wordt regelmatig met de dood bedreigd en is zijn leven dus niet zeker. Daarbij komt dat de ‘redelijke vervolgingstermijn’ ruimschoots is overschreven en het gerechtshof het niet passend vindt verdere straffen of maatregelen op te leggen.

Civiele vorderingen voor (im)materiële schade
Door meerdere slachtoffers is een schadeclaim ingediend voor (im)materiële schade. Het gerechthof is hier kort over: dit is een civiele aangelegenheid. De slachtoffers dienen hun schade dus te onderbouwen en bij de civiele rechtbank te vorderen.

Cassatie
Zowel Geert Wilders als het OM kunnen binnen veertien dagen in cassatie gaan. De zaak zal dan behandeld worden door de Hoge Raad. Belangrijk is wel om te weten dat hier geen nieuwe feitelijke behandeling zal worden uitgevoerd. Slechts procedurele punten en misopvattingen van wetten kunnen hier aan de orde worden gesteld.

 


[1] Rechtbank Den Haag 9 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15014.