Haastige spoed is zelden goed

Minister voor rechtsbescherming Sander Dekker werkt aan een wetswijziging die de fraude met “plof-bv’s” dient te stuiten.[1] Hierdoor wordt het voor malafide ondernemers lastiger om schuldeisers door middel van een zogenaamde ‘turboliquidatie’ te ontlopen. Hoe komt het dat er jarenlang kon worden gefraudeerd en nog belangrijker: hoe denkt de minister deze sluwe ondernemers nu wel te slim af te zijn?

Uit cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt dat er in 2018 bijna 37.000 ontbindingsbesluiten zijn geregistreerd, waarvan er 33.000 turboliquidaties betroffen.[2] Hoe vaak hierbij is gefraudeerd, is niet bekend. De Belastingdienst schat dat er met één op de vijf turboliquidaties ´iets mis´ was. Duidelijk is dat de turboliquidatie bij ondernemers in de smaak valt. Maar wat houdt deze turboliquidatie dan precies in?

Een rechtspersoon ontstaat in beginsel voor onbepaalde tijd. Dit neemt niet weg dat rechtspersonen ook kunnen ophouden te bestaan. Dit kan onder andere geschieden door een juridische fusie of splitsing. In de praktijk is de meest voorkomende manier waarop een rechtspersoon ophoudt te bestaan ontbinding van de rechtspersoon.[3] Een rechtspersoon, in dit artikel geldend de bv, kan worden ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit, dat wordt genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA).

Nadat het ontbindingsbesluit is genomen blijft de B.V. op grond van art. 2:19 lid 5 BW voortbestaan, indien dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. Dit is het geval wanneer er (nog te verwachten) baten zijn. Een vereffenaar zal dan de lopende verplichtingen afhandelen. Op grond van art. 2:19 lid 3 BW zal de rechtspersoon pas ophouden te bestaan op het moment waarop de vereffening eindigt. Dit is ingevolge art. 2:23b lid 9 BW op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn.[4] Wanneer blijkt dat de schulden de baten zullen overtreffen, zal de vereffenaar op grond van art. 2:23a lid 4 BW aangifte tot faillietverklaring moeten doen.

Wanneer de bv op het tijdstip van ontbinding geen baten heeft, houdt hij, op grond van art. 2:19 lid 4 BW, terstond op te bestaan. Er wordt dan gesproken van een ‘turboliquidatie’.[5] Deze vorm van ontbinding zorgt in beginsel voor tijdswinst en minder ´rompslomp´ voor de ondernemer.[6] Dit komt doordat de vereffening feitelijk al door het bestuur is afgerond, nog voordat de AVA het ontbindingsbesluit neemt. Het bestuur stelt simpelweg vast dat er geen baten aanwezig zijn.  De vraag of er schulden zijn, is hierbij niet relevant.[7] Turboliquidatie is dan ook ontbinding zonder formele vereffening: er is geen vereffenaar nodig nu er simpelweg niets te vereffenen valt. Hierdoor valt de datum van ontbinding samen met de datum waarop de rechtspersoon ophoudt te bestaan.[8]

De wettelijke mogelijkheid tot turboliquidatie is in 1994 ingevoerd met als doel om misbruik van inactieve rechtspersonen te voorkomen. Ruim 25 jaar later lijkt er echter sprake van een heel andere vorm van misbruik. Deze vorm van misbruik ligt verborgen in de snelheid waarmee de turboliquidatie gepaard gaat. Nu bij een turboliquidatie het formele vereffeningstraject van art. 2:23 BW e.v. niet gevolgd hoeft te worden, ontbreekt de rekening en verantwoording van de vereffening, het plan van verdeling, de neerlegging en bekendmaking daarvan en het recht van verzet.[9] Hierdoor wordt duidelijk dat ieder voordeel ook zijn nadeel heeft. Nu het voor de ondernemer sneller en efficiënter is om tot turboliquidatie over te gaan, is het voor de schuldeiser een met minder waarborgen omklede vorm van ontbinding.

Hier komt voor de schuldeiser bovenop dat het vrij eenvoudig is om misbruik te maken van de turboliquidatie. Dit zal ik aan de hand van een kort voorbeeld toelichten. Stel: een bestuurder van bv X laat zijn baten moedwillig naar  bv Y wegsluizen en de schulden tegelijkertijd bij bv X oplopen. Dit heeft als gevolg dat er geen baten meer zijn op het moment van ontbinding, waardoor de mogelijkheid bestaat om tot turboliquidatie over te gaan op grond van art. 2:19 lid 4 BW.[10] Een schuldeiser van bv X staat dan vervolgens met lege handen, nu er in bv X geen baten meer aanwezig zijn.

Bovenstaande brengt overigens niet met zich mee dat de schuldeiser naar het huidige recht geen bescherming geniet. Interessant is dan ook om te kijken welke beschermingsmogelijkheden de schuldeiser tegenover de turboliquidatie kan aangrijpen. Hieronder zal ik in het kort drie opties uiteenzetten: [11]

  1. De schuldeiser kan op grond van art. 2:19 lid 5 BW aan de rechtbank verzoeken om de vereffening te heropenen. De schuldeiser zal hierbij wel aan moeten tonen dat hij voldoende belang heeft bij deze heropening.
  2. De schuldeiser kan een verzoek tot faillietverklaring van de ontbonden rechtspersoon indienen, mits aan alle voor faillietverklaring wordt voldaan. Zo zal de schuldeiser moeten bewijzen dat er aantoonbare baten zijn, zij het met een lichtere bewijslast.
  3. De schuldeiser kan daarnaast het bestuur persoonlijk aansprakelijk stellen op grond van een onrechtmatige daad. Hierbij moet er wel sprake zijn van een ernstig verwijt.

In theorie wordt er aan de schuldeiser dus bescherming geboden. Deze bescherming biedt in de praktijk echter weinig soelaas. Dit komt bijvoorbeeld doordat de turboliquidatie nergens anders dan in het handelsregister openbaar wordt gemaakt, waardoor schuldeisers vaak simpelweg niet eens bekend zijn met de versnelde ontbinding. [12] Dit maakt dat de gedupeerde schuldeiser niet aan deze drie opties toekomt. De roep naar extra wettelijke bescherming is dan ook groot.

Minister Dekker erkent deze problemen en heeft aangegeven in te grijpen.[13] Een definitief wetswijzigingsvoorstel laat nog even op zich wachten, maar Dekker heeft in een brief aan de Tweede Kamer onder andere de volgende voorgenomen wijzigingen uiteengezet.[14] Allereerst acht hij het wenselijk dat de mogelijkheid tot turboliquidatie behouden blijft. Het is niet alleen van belang dat een rechtspersoon eenvoudig kan worden opgericht, maar ook eenvoudig kan worden gestaakt. De oorspronkelijke intentie van de turboliquidatie (art. 2:19 lid 4 BW), namelijk het voorkomen van misbruik van inactieve rechtspersonen, blijft hiermee behouden.[15]

De minister is van mening dat, indien sprake is van een turboliquidatie met achterlating van schulden, de rechtsbescherming van de positie van schuldeisers beter gewaarborgd dient te worden. Er dient een gezonde verhouding te worden gecreëerd tussen de positie van schuldeisers en de autonomie van bestuurders en aandeelhouders. Dekker wil derhalve de verantwoordingsplicht aanscherpen door de turboliquidatie ‘transparanter’ maken.

Dit kan geschieden door bredere bekendmaking en de verbetering van de toegankelijkheid van verantwoordingsinformatie. De schuldeisers zouden een completer beeld moeten krijgen omtrent de financiële positie rechtspersoon. Zo zal het bestuur worden verplicht tot het opstellen en deponeren van de slotbalans in combinatie met een bestuursverklaring, waarin de reden voor het ontbreken van baten naar voren komt. Het is bovendien aan het bestuur gelegen om zorg te dragen dat er een algemene bekendmaking plaatsvindt van de turboliquidatie. Bij de bekendmaking wordt vermeld dat de dat slotbalans in combinatie met de jaarrekening ter inzage liggen bij het handelsregister. Ten slotte dienen voor de doorhaling van de rechtspersoon in het handelsregister de jaarrekeningen over alle eerdere boekjaren openbaar gemaakt te zijn, tenzij er sprake is van een ontheffing op basis van art. 2:394 lid 5 BW.

Ik denk dat behoud van de mogelijkheid om tot turboliquidatie over te gaan in beginsel wenselijk is. Met het oog op de regeling omtrent zogenoemde flex-bv’s moet een onderneming immers niet alleen snel kunnen worden opgericht, maar ook snel kunnen worden opgeheven. De turboliquidatie is hier een uitstekende mogelijkheid voor. Dit neemt echter niet weg dat deze snelle en efficiënte manier van ontbinding misbruik in de hand werkt. Het voorgenomen wetsvoorstel lijkt mij een gulden middenweg: de ondernemer kan nog steeds gebruikmaken van de snelle en efficiënte turboliquidatie en de schuldeiser geniet bij dit proces meer bescherming. In dat geval zal er hopelijk niet langer misbruik worden gemaakt van turboliquidaties, maar slechts gebruik.


[1] ‘Nieuwe wet moet opmars stuiten van fraude met plof-bv’s, FD 7 oktober 2019.

[2] Kamerstukken II 2019/20, 29 911, nr. 253, p. 3.

[3] H. Koster, ‘De turboliquidatie nader beschouwd’, Bb 2016/89, p. 1.

[4] M.J. Blommaerts, ‘Perikelen rondom turboliquidaties: opgeruimd staat netjes?’, TvI 2016/34, p. 1.

[5] H. Koster, ‘De turboliquidatie nader beschouwd’, Bb 2016/89, p. 1.

[6] M.Y. Nethe, ´Informatieverschaffing bij turboliquidatie: meer transparantie graag!’, WPNR 2019/7252, p. 672.

[7] H. Koster, ‘Enkele gedachten over de ontbinding van rechtspersonen’, WPNR 2017/7162, p. 683.

[8] M.J. Kroeze (m.m.v. H. Beckman, M.A. Verbrugh), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel I. De rechtspersoon, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par 404.

[9] Art. 2:23b BW.

[10] S. Renssen, De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap, Deventer: Kluwer 2016, p. 56.

[11] M.Y. Nethe, ´Informatieverschaffing bij turboliquidatie: meer transparantie graag!’, WPNR 2019/7252, p. 672.

[12]  S. Renssen, De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap (Serie Van der Heijden Instituut nr. 131) (diss. Maastricht), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 205 .

[13] Kamerstukken II 2019/20, 29 911, nr. 253, p. 1.

[14] Kamerstukken II 2019/20, 29 911, nr. 253, p. 1-6.

[15] Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 2, p. 2.


Discussie