Ik kan geen kind krijgen, wat nu?

De juridische, wetenschappelijke en ethische aspecten van het draagmoederschap

Door: Daniel Osorno van Wissen

  1. Inleiding

Een gezin vormen lijkt vanzelfsprekend. Echter, het krijgen van een kind is niet altijd eenvoudig. Zo neemt door een misvormde baarmoeder of verzwakte zaadcellen, de kans toe dat de ooievaar ver van thuis blijft. Daarmee kan een lijdensweg volgen, waarbij behandelingen, hormonen, pogingen en teleurstellingen, verwoestend voor de geest kunnen zijn. Gelukkig biedt de opkomst van moderne technologische methodes steeds meer mogelijkheden om een gezin te vormen voor ouders die met hun kinderwens hulp nodig hebben. Het gaat hierbij niet alleen om paren bij wie medische complicaties in de weg staan aan het samen krijgen van een kind, maar ook om paren van gelijk geslacht. Een van de oplossingen voor dergelijke paren is om een afspraak te maken met een derde persoon, te weten een draagmoeder. Echter, een dergelijke stap is niet altijd eenvoudig uitvoerbaar. In Nederland is het bijvoorbeeld volgens de wet niet toegestaan om openbare oproepen te doen, waardoor het lastig is om een draagmoeder te vinden. Wel bieden een aantal vruchtbaarheidsklinieken de mogelijkheid om het draagmoederschap-traject aan te gaan, maar in de praktijk is dit lastiger dan het lijkt, omdat er veel eisen aan verbonden zijn. Een voorbeeld daarvan is dat enkel heteroparen worden toegelaten. In die zin vallen paren van gelijk geslacht totaal buiten de boot.

In het kader van het draagmoederschap kunnen onder meer juridische, wetenschappelijke en ethische haken en ogen aan de weg staan. Om deze redenen is het de vraag in hoeverre het draagmoederschap in Nederland en in het buitenland is geregeld en of er in de toekomst afspraken ten opzichte daarvan zullen worden gemaakt. Wordt het voor ouders – voor wie niet voor de vanzelfsprekend is om een kind te krijgen –  straks gemakkelijker om door middel van het draagmoederschap een gezinnetje te vormen? Wat voor technieken zijn er en wat zijn de juridische haken en ogen? In dit artikel zal worden stilgestaan bij het juridisch vacuüm van het bestaande recht en de ontwikkelingen omtrent het draagmoederschap. Als rode draad zal het draagmoederschap in het licht van de ethiek worden geworpen.

  1. Draagmoederschap

Het draagmoederschap is een regeling die wordt gebruikt in de situatie waarin de wensouders – diegenen die een kinderwens willen vervullen – niet in staat zijn om een vrucht tot ontwikkeling te brengen. In de literatuur wordt draagmoederschap omschreven als het fenomeen waarbij een vrouw in haar baarmoeder een vrucht tot ontwikkeling laat komen en een kind baart met de bedoeling het aan anderen af te staan.[1] Evenwel kent de Nederlandse wet een definitie voor de term ‘draagmoeder’. Op grond van artikel 1:151b lid 3 van het Wetboek van Strafrecht wordt een draagmoeder aangemerkt als de vrouw die zwanger is geworden met het voornemen een kind te baren ten behoeve van een ander die het ouderlijk gezag over dat kind wil verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich wil nemen.

  1. Vormen van Draagmoederschap

Op dit moment bestaan twee vormen die het draagmoederschap feitelijk uitvoerbaar maken. Enerzijds bestaat de vorm van het traditionele draagmoederschap in het algemeen en anderzijds het hoogtechnologische draagmoederschap in het bijzonder.

In het traditionele draagmoederschap ontstaat het kind uit de eigen eicel van de draagmoeder en een zaadcel van de wensvader. Daarbij is geslachtsgemeenschap tussen draagmoeder en wensvader een mogelijke methode (vandaar traditioneel). Dit is dan ook de meest eenvoudige vorm, omdat er zich in principe geen technische moeilijkheden kunnen voordoen. Hiertoe kunnen de draagmoeder en de wensvader afspraken met elkaar maken. Eveneens kan de methode van kunstmatige inseminatie (hierna: KI) hulp bieden, zodat de bevruchting – door het injecteren van zaadcellen via de vagina in de baarmoeder – tot stand kan worden gebracht. In dat geval is de tussenkomst van een arts niet altijd noodzakelijk.[2] Een voordeel van KI is dat de overheid het voornemen heeft om deze behandeling in de nabije toekomst – voor lesbische koppels of alleenstaande vrouwen – te vergoeden.

De andere vorm is het hoogtechnologische draagmoederschap. In het hoogtechnologische draagmoederschap is het kind niet genetisch verwant aan de draagmoeder.[3] Daarbij wordt een eicel van de wensmoeder in een zogenoemde petrischaal (een lage platte ronde glazenschaal, die vaak wordt gebruikt in de biologie om microscopische cellen te onderzoeken) bevrucht met een zaadcel van de wensvader. Dit wordt ook wel een In Vitro Fertilisatie (hierna: IVF) behandeling genoemd.[4] In het geval dat het eigen genetisch materiaal niet geschikt is, omdat de zaadcellen bijvoorbeeld te zwak zijn, biedt de IVF-behandeling een praktische uitkomst. Bij dergelijke behandelingen wordt gebruikgemaakt van het materiaal van een donor. Pas op het moment dat het embryo ontstaat, wordt deze in de baarmoeder van de draagmoeder geplaatst, zodat het rijp wordt. Daartoe bestaan ook andere behandelingen die ingewikkelder zijn, te weten Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie (hierna: ICSI).[5] Bij een ICSI-behandeling wordt bijvoorbeeld een eicel geïnjecteerd met de zaadcel. Deze behandelingen worden onder meer ingezet voor paren bij wie het sperma van de wensvader te weinig bruikbare zaadcellen heeft om de klassieke IVF-techniek kans op slagen te geven. Ook wanneer bij een IVF-behandeling geen bevruchting heeft plaatsgevonden of de kans van slagen laag is, zorgt ICSI-bevruchting voor een mogelijke oplossing, waardoor alsnog een kind kan worden gemaakt.

  1. Juridische haken en ogen

Hoewel de hiervoor genoemde vormen van draagmoederschap op het eerste gezicht handige manieren zijn om alsnog een kinderwens te vervullen, zitten er nog steeds op zowel nationaal als internationaal niveau veel juridische haken en ogen. Zo wordt het draagmoederschap in Nederland amper in de wet geregeld, terwijl dit fenomeen daadwerkelijk in de maatschappij voorkomt.[6] Zo beschouwd is dit fenomeen enkel terug te koppelen aan het Wetboek van Strafrecht. In dit wetboek wordt het commercieel draagmoederschap verboden.

In beginsel handelt de draagmoeder zonder eigenbelang, dan wel op altruïstische basis. In deze opvatting worden doorgaans de kosten ten aanzien van zowel het zwangerschap als de bevalling door de wensouders vergoed. Echter, in bepaalde gevallen vordert de draagmoeder loon voor de door haar terbeschikkinggestelde baarmoeder. Bovendien worden er soms ook beloften, vergoedingen of giften gevorderd voor de door haar gepresteerde diensten, te weten het gehele proces van het zwangerschap en de bevalling. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een toezegging om een woning te kopen of schulden af te lossen. Door uit te gaan van een (geldelijke) beloning, al dan niet in de vorm van natura, handelt de draagmoeder niet meer op altruïstische basis, waardoor het draagmoederschap een commerciële aard krijgt.[7] Aangezien dit laatste onder het Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld, is het in Nederland ook verboden om een onderneming op te starten waarmee wordt bemiddeld om potentiële wensouders en draagmoeders elkaar te laten ontmoeten of daartoe een platform te bieden voor advertenties. Ten aanzien daarvan wordt momenteel gewerkt aan een wetsvoorstel tegen ‘kinderkoop’. Dit laatste is volgens demissionair minister Dekker voor Rechtsbescherming niet acceptabel. ‘Opgroeien in het besef gekocht te zijn, is vreselijk. Of het nu gaat om draagmoederschap of adoptie: het belang van het kind moet steeds voorop staan. Kinderen zijn geen handelswaar, daarom moeten we een duidelijke grens stellen’, aldus Dekker. Andersom geldt ook dat de draagmoeder en wensouders niet strafbaar zijn, wanneer de zij elkaar in eigen sociale kringen treffen. Met betrekking tot kinderkoop zal in Nederland een gevangenisstraf van maximaal één jaar gelden.[8]

  1. De draagmoederschapsovereenkomst

Hoewel het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals hiervoor al aangegeven, geen bepalingen bevat over het draagmoederschap, spreekt het wel over juridische banden tussen zowel ouders als kinderen. Deze regels gaan niet over het draagmoederschap, maar kunnen wel met creativiteit en juridische lenigheid worden toegepast. Met deze regels lukt het vaak om het ouderschap van de wensouders, de positie van het kind en de draagmoeder juridisch vorm te geven. Zo kan onder meer worden gehandeld overeenkomstig de regels van het verbintenissenrecht, te weten artikel 3:33 jo. 3:35, 6:217 en 6:248 BW. In dat kader impliceert de regeling van het draagmoederschap telkens het bestaan van een afspraak tussen de draagmoeder die ten behoeve van een derde, de wensouders, een zwangerschap uitdraagt en na de bevalling het kind aan deze derde overdraagt.[9] Om een dergelijke afspraak in goede banen te leiden, kunnen de draagmoeder en de wensouders voor een overeenkomst kiezen. In het juridische jargon wordt dit verbintenisrechtelijk de draagmoederschapsovereenkomst genoemd. Hiervoor is het essentieel dat de overeenkomst vóór de verwerking van het kind door partijen wordt gesloten.[10] Alvorens er sprake is van een dergelijke overeenkomst, moeten er tenminste drie verbintenissen worden aangegaan. Hiertoe is het belangrijk dat de draagmoeder zich (i) verbindt om een kind in haar baarmoeder te laten ontwikkelen. Voorts dient zij (ii) na de bevalling en overeenkomstig de verbintenis, het verwekte kind aan de wensouders te overdragen. Dit betekent onder meer dat zij zich ten aanzien van de wensouders verbindt om het kind na de bevalling niet op te eisen. Tenslotte moeten de wensouders (iii) zich verbinden om voor het kind te zorgen en derhalve hem\haar in het eigen gezin op te nemen.

De draagmoederschapsovereenkomst lijkt in eerste instantie een goed middel, maar na een uitvoerige analyse is dit nog steeds slechts een zwak instrument. Dit komt met name doordat er binnen het verbintenissenrecht en daarmee ook binnen de draagmoederschapsovereenkomst telkens rekening dient te worden gehouden met drie beheersende beginselen, te weten de contractsvrijheid, de vormvrijheid en de verbindende kracht. Mede door deze beginselen wordt een overeenkomst rechtens als verbindend aangemerkt tussen de partijen die zich aan de overeenkomst hebben verbonden.[11] Echter, deze beginselen zijn niet absoluut. In de draagmoederschapsovereenkomst kunnen namelijk bepalingen aanwezig zijn, die later zullen komen te vervallen. De aanleiding hiervoor is dat bepaalde bepalingen in strijd kunnen zijn met (i) dwingendrechtelijke bepalingen, (ii) de openbare orde of de goede zeden[12], of (iii) ingaan tegen de Grondwet of fundamentele rechten van de mens. Dit leidt ertoe dat de rechtsgeldigheid van de draagmoederschapsovereenkomst wordt verzwakt. Denk daarbij aan afspraken die in relatie staan met de commerciële strafbaarheid van het draagmoederschap, bijvoorbeeld het toezeggen van een woning. Dit zijn afspraken die in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden. Als eindresultaat zullen deze bepalingen uiteindelijk komen te vervallen. Derhalve zal de draagmoederschapsovereenkomst weinig zekerheid bieden voor draag- en wensouders.

  1. Het Nederlandse beleid

Aangezien de kwestie omtrent het draagmoederschap van complexe aard is, streeft de overheid naar het ontwikkelen van een nieuwe regeling. Met haar voornemens verwacht zij het kind en de draagmoeder beter te beschermen. Daarbij wordt het kind zoveel als mogelijk centraal gesteld. Eveneens wordt het daarmee voor de wensouders duidelijk aan welke voorwaarden zij moeten voldoen om hun kinderwens te kunnen vervullen.[13]
Tot op heden wordt hard gewerkt aan een wetsvoorstel over het draagmoederschap.[14] Dit wetsvoorstel is inmiddels voor advies naar de Raad van State gestuurd.[15] In het wetsvoorstel wordt enerzijds ingegaan op de versterking van de mogelijkheden om excessen rond het verkrijgen van kinderen aan te pakken. Een belangrijk aspect daarin zijn strafbaarstellingen. Ten opzichte hiervan is het niet alleen wenselijk om de commerciële dimensie van draagmoederschap te beperken, maar ook om het kind moeiteloos te overgedragen. Anderzijds wordt met het wetsvoorstel ingegaan op ethische aspecten ten aanzien van het kind. Omdat de rechten van het kind dusdanig zwaar wegen, probeert de overheid goed na te denken over de zwaarwichtige betekenis van de ontstaansgeschiedenis van het kind. Wanneer het kind ouder wordt, moet het voor deze mogelijk zijn om de draagmoeder en eventueel de zaad- of eiceldonoren te achterhalen. Hiermee wordt artikel 7 van het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) in acht genomen, te weten het recht op een naam, nationaliteit en geboorteregistratie. Het gevolg hiervan is dat de wensouders – en niet de draagmoeder – vanaf de geboorte op de geboorteakte van het kind komen te staan. Door de wensouders te bewegen om van het begin af aan keuzes te maken die in het belang zijn van zowel het kind als de draagmoeder, worden daarmee de belangen van alle partijen behartigd. Als addertje onder het gras is het voor de draagmoeder – ten aanzien van de wensouders – mogelijk om tot het tijdstip van de geboorte en gedurende een korte periode daarna, de rechter te verzoeken om de overeenkomst te ontbinden, waarna zij de juridische moeder blijft.

Voordat de keuze wordt gemaakt om via draagmoederschap een kind te krijgen, dient tenminste één van de wensouders én de draagmoeder de Nederlandse nationaliteit te hebben. Als zij de Nederlandse nationaliteit niet hebben, moeten zij op basis van een door de wet toegekende grond, minstens het recht hebben om permanent in Nederland te verblijven. Daarnaast zal via het wetsvoorstel een (on)kostenvergoeding worden geregeld, zodat de kosten omtrent het zwangerschap en de bevalling niet volledig voor de rekening van de draagmoeder komen. Op dit moment gaat de Staatscommissie uit van een bedrag van maximaal € 500 per maand, vermeerderd met feitelijke onkosten en verzekeringskosten, maar dit staat nog niet vast. Dit betekent dat de uitwerking hiervan nog nader zal moeten worden onderzocht. Het uitgangspunt moet in ieder geval zijn dat er geen sprake mag zijn van een commercieel belang voor de draagmoeder.[16]

Ook streeft de overheid naar het mogelijk maken van een draagmoederbank. Dit is één centrale instantie waar de wensouders terechtkunnen om een draagmoeder te vinden. Ten aanzien daarvan is door de overheid toegezegd dat ook paren van gelijk geslacht gebruik kunnen maken van deze instantie. Dit zal worden geregeld in het eerdergenoemde wetsvoorstel. Het een en ander betekent dat er geen onderscheid zal worden gemaakt tussen het geslacht van de wensouders.[17] Door middel van een dergelijke draagmoederbank probeert de overheid de keuze van wensouders te beïnvloeden om voor een binnenlands draagmoederschap te kiezen in plaats van een buitenlandse. Als wensouders tóch voor het draagmoederschap in het buitenland kiezen, moet dit voldoende waarborgen bieden om alle partijen zoveel mogelijk te beschermen. De grensoverschrijdende regulering en internationale invoering van richtlijnen om kinderen geboren uit draagmoederschap te beschermen, is volgens de overheid een wenselijk beleid. Wanneer de overheid ervoor kiest om het draagmoederschap op internationaal niveau te verbieden, kan dit radicale risico’s in de huidige praktijk brengen. Een risico zou kunnen zijn dat kinderen staatloos worden geboren, omdat het kind dan niet als Nederlander wordt aangemerkt. Om een dergelijk risico te voorkomen, moet de afstammingsband tussen een genetisch eigen kind, de wensouder en zijn partner worden erkend, aldus het Europese Hof voor de Rechten van de mensen. Hierbij wordt beargumenteerd dat bij draagmoederschap, anders dan bij adoptie, sprake is van een kind dat uit bloedverwantschap voortkomt.[18]

  1. De risico’s  van het draagmoederschap

Voor niet natuurlijke ouders is het vervullen van een kinderwens niet alleen complex, maar  brengt het ook risico’s met zich mee. Deze risico’s worden vooral geconstateerd bij diegenen die als partij bij het draagmoederschap betrokken zijn, te weten (i) het kind, (ii) de draagmoeder en (iii) de wensouders.[19]

Ten eerste kent de huidige praktijk nog geen regeling waaruit blijkt dat het recht van het kind op betrouwbare afstammingsinformatie niet wordt gepasseerd. Het gevolg hiervan is dat het voor het kind niet eenvoudig is om in de toekomst te achterhalen met wie hij/zij genetisch gebonden is. Ook zijn er onduidelijkheden omtrent de naam die het kind zal dragen en wie de beslissingen over de opvoeding zal nemen. Eveneens zijn de risico’s nog groter wanneer de wensouders voor een internationaal draagmoederschap kiezen. Zo zou het kind worden gezien als een middel om de financiële en maatschappelijke positie van een ander te verbeteren. Bovendien zou het kind staatloos kunnen worden, omdat de wensouders in Nederland juridisch niet worden erkend, terwijl het juridische band van dat kind met het land van herkomst verbroken is.[20]

Ten tweede kan de draagmoeder te maken krijgen met uitbuiting. Zo draagt zij de druk om zwanger te worden en uiteindelijk het kind af te moeten staan. Als het zover komt, bestaat ook het risico dat de wensouders op den duur besluiten om zich terug te trekken van het draagmoederschap. Dit zou onder meer kunnen leiden tot het verbreken van de zwangerschap, wat tot ethische discussies kan leiden.[21] Tevens kan er niet vanuit worden gegaan dat er bij de draagmoeder gedurende de geboorte sprake is van een neutraal voorval. Ook in dat verband speelt ethiek een belangrijke rol, bijvoorbeeld omdat er bij de geboorte een band ontstaat tussen de draagmoeder en het kind. Als een vrouw een kind baart, wordt op dat moment een speciaal hormoon geproduceerd, te weten oxytocine.[22] Dit chemisch stofje ondersteunt de reeds door de zwangerschap gevormde biologische band tussen de draagmoeder en het kind. Het biologische en chemische gevolg daarvan is dat de draagmoeder gedurende het leven loyaal is aan het kind. Hiervoor wordt beargumenteerd dat het niet acceptabel is dat deze band worden verbroken door het kind van de draagmoeder te scheiden, omdat dit tegen de natuur ingaat.[23]

Tenslotte kunnen de wensouders te maken krijgen met juridische problemen ten aanzien van het kind. In het laatste geval gaat bijvoorbeeld het ouderschap en het gezag van het oorspronkelijk land over naar de wensouders, maar wordt noch het ouderschap, noch het gezag in Nederland erkend. Dit brengt mee dat het lastig wordt om het kind naar Nederland te verplaatsen, terwijl zij in een ander land de juridische ouders van het kind zijn geworden.[24]

Bij de hiervoor genoemde risico’s zal de rechter steeds moeten worden betrokken. Zo ontstaat onder meer de kans dat er bij conflicten de wensouders het ouderschap niet toegewezen krijgen. In dat kader zal de rechter – met inachtneming van artikel 3 IVRK – steeds naar het belang van het kind kijken. Dit brengt mee dat er geleidelijk een beoordelingskader voor de toetsing van de uitkomsten van het draagmoederschap in de rechtspraak wordt gevormd. Hoewel het vooraf nooit zeker is hoe de rechter over een bepaalde situatie zal beslissen, kan een wettelijk kader rechtszekerheid bieden met betrekking tot het kind, de draagmoeder en de wensouders.

  1. Europees- en internationaal beleid

Gelijkerwijs werkt de Europese Commissie aan erkenning van wettelijk ouderschap tussen de verschillende Europese landen, met name gericht op kinderen van ouders met gelijk geslacht. Echter, volgens de Europese Commissie is het niet aan haar om regelgeving te ontwikkelen op het terrein van het draagmoederschap. Het is meer voor de hand liggend dat lidstaten een eigen beleid ontwikkelen met betrekking hierop, zeker naar aanleiding van de uiteenlopende visies op het draagmoederschap die zich zowel binnen de Europese Unie als daarbuiten voordoen. Ten opzichte daarvan worden op dit ogenblik drie soorten reacties op het draagmoederschap gehanteerd. Ten eerste (i) wensen sommige landen het draagmoederschap te verbieden en zien zij regulering als een onwenselijke erkenning van het fenomeen. Ten tweede (ii) laten sommige landen het onderwerp in de kern ongeregeld. Tot slot (iii) wordt het draagmoederschap door een laatste groep landen uitdrukkelijk toegestaan, maar laten zij dit over aan de vrije markt. Het is derhalve mede door de verschillende voorafgaande reacties lastig om op internationaal niveau consensus te bereiken over dit onderwerp. Wel wordt momenteel onderzoek gericht naar de haalbaarheid en de legitimiteit van een internationaal verdrag, waarin de erkenning van ouderschap na het draagmoederschap wordt geregeld.[25]

  1. Samenvattende conclusie

Hoewel er op dit moment steeds meer grip bestaat op idealen omtrent relaties en ouderschap, is er nog een lange weg te gaan om de complexiteit daarvan goed in kaart te brengen. In dat kader kan geconcludeerd worden dat er tegenover wensouders steeds meer sympathie bestaat. Voor wensouders zal het in de toekomst steeds gemakkelijker worden om hun kinderwens te vervullen. Op dit moment kan en moet het Burgerlijk Wetboek met creativiteit worden ingezet om een dergelijke wens mogelijk te maken. Echter, een draagmoederschapsovereenkomst biedt nog steeds weinig zekerheid voor het kind, de wensouders en de draagmoeder. Hierbij  is het belangrijk dat de wetgever en de overheid met een regeling komen die de rechtszekerheid van deze groepen – met name het kind – beschermt.

Het feit dat zowel de wetgever als de overheid steeds op zoek gaat naar oplossingen om de keuzes rondom voortplanting voor meer groepen mogelijk te maken, geeft in ieder geval een positieve vooruitblik voor de toekomst aan. Daarbij is technologie een hulpmiddel die door de innovatieve technieken van deze tijd op den duur ook steeds meer oplossingen zal bieden. Het is dankzij deze technologie dat het voor allerlei paren – zelfs paren van gelijk geslacht – bij wie medische complicaties in de weg staan aan het krijgen van een kind, het steeds mogelijk wordt gemaakt om vooralsnog een kinderwens te vervullen. In dat kader bieden het traditionele en het hoogtechnologische draagmoederschap een fijne uitweg om aan dit ideaal te voldoen. Of het nou gaat om een KI-, een IVF- of een ICSI-behandeling, het is voor de wensouders hoe dan ook mogelijk om kinderen te krijgen. Daartoe is het eveneens belangrijk dat het juridische vacuüm van het bestaande recht omtrent het draagmoederschap beter wordt geregeld. In dat kader zijn de wetgever en de overheid goed op weg.

Daarnaast zal een toekomstig internationaal verdrag de markt omtrent het draagmoederschap mogelijk stabiliseren, waardoor de kans op het commercieel draagmoederschap mogelijk zal afnemen. Nu kinderen – ethisch gezien – geen handelswaar zijn, moet in het kader van het commercieel draagmoederschap het belang van het kind steeds centraal staan.

Verder blijft de vraag of het voor een draagmoeder vanuit een ethisch en biologisch perspectief wel gemakkelijk zal zijn om het draagmoederschap met succes te voltooien. Het is namelijk niet gemakkelijk om een kind te baren en deze te moeten afstaan. Zeker gezien het feit dat er ook chemische en biologische aspecten van het lichaam op het spel staan. Dit brengt mee dat naarmate het beleid wordt uitgevoerd, er in de toekomst zich steeds meer nieuwe vragen zullen voordoen. Voor nu lijkt het alsof de overheid met het wetsvoorstel in ieder geval goed over deze zaken na heeft gedacht. Hoe het voor paren straks zal zijn om door middel van een regeling met betrekking tot het draagmoederschap een kind te krijgen, zullen we in de nabije toekomst nog meemaken. Voor nu zullen we nog moeten afwachten wat voor gevolgen het wetsvoorstel met zich zal brengen.

 

[1] G. Verschelden, Origineel ouderschap herdacht, Brugge: die Keure 2005, p. 19, nr. 35.

[2] S. De Meuter, ‘Het kind en zijn moeder(s): Het moederschap na medisch begeleide voortplanting, inzonderheid draagmoederschap’, TPR 1990, p. 652-653.

[3] Zie over de diepe wens om genetisch eigen kinderen te krijgen: I. de Beaufort, ‘Prins Harry, de cuculus canorus, behangers of Franse zangers’, Filosofie en Praktijk jaargang 25, nr. 1, p. 5-13.

[5] ‘Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie (ICSI)’, https://www.gelreziekenhuizen.nl/patient/onderzoeken-behandelingen/ICSI/, 20 maart 2021.

[6] Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap, hoofdstuk 3 Maatschappelijke ontwikkelingen, december 2016, p. 65-98.

[7] G. Verschelden, Origineel ouderschap herdacht, Brugge: die Keure 2005, p. 20.

[8] Raoul du Pre, ‘Kabinet wil betalingen aan draagmoeder strafbaar maken: ‘Kinderen zijn geen handelswaar’’, de Volkskrant, 19 juni 2020.

[9] M. Warnock, A Question of Life, The Warnock Report on Human Fertilisation and Embryology, Oxford: Blackwell Publishers 1985, p. 43.

[10] S. De Meuter, ‘Het kind en zijn moeder(s): Het moederschap na medisch begeleide voortplanting, inzonderheid draagmoederschap’, TPR 1990, p. 652.

[11] J. Hijma & M.M. Olthof, ‘Beginselen van contractenrecht’, in Compendium van het Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020.

[12] Art. 3:40 lid 2 Burgerlijke Weboek.

[13] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 3.

[14] Voorstel tot wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de introductie van met name een regeling voor draagmoederschap en een versterking van het recht van het kind op afstammingsinformatie (Wet kind, draagmoederschap en afstamming) (Kamerstuk: Voorstel van wet | 2019/20)

[15] Opbrengsten Emancipatiebeleid 2017 (Kamerstukken 2020/21, 30420 nr. 357), p. 19.

[16] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 8.

[17] Medische ethiek; Brief regering; Voortgangsrapportage medische ethiek februari 2021 (Kamerstukken 2020/21, 34990, nr. 11).

[18] Verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de Gezamenlijke Mededeling inzake het EU-Genderactieplan (GAP) III - EU-voorstel: Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad: EU Genderactieplan (GAP) III - Een ambitieuze agenda inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in het externe optreden van de EU (JOIN(2020)17) (Kamerstukken I 2020/21, 35697).

[19] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 7

[20] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 7

[21] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 7

[22] K. de Groot, R. Hoksbergen & Heleen Dupuis, ‘Draagmoederschap wettelijk regelen?’, NJB  2019, Afl. 43, p-3241.

[23] K. de Groot, R. Hoksbergen & Heleen Dupuis, ‘Draagmoederschap wettelijk regelen?’, NJB  2019, Afl. 43, p-3241.

[24] Kabinetsreactie op de aanbevelingen op het terrein van (onder meer) draagmoederschap van de Staatscommissie Herijking ouderschap (Kamerstukken II 2018/19, 33836, nr. 45), p. 7

[25] Verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de Gezamenlijke Mededeling inzake het EU-Genderactieplan (GAP) III - EU-voorstel: Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad: EU Genderactieplan (GAP) III - Een ambitieuze agenda inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in het externe optreden van de EU (JOIN(2020)17) (Kamerstukken I 2020/21, 35697).