In de rechtszaal is nu ook de rechter verdachte

door:

‘’Stop met het verschuilen achter ónze toga en neem verantwoordelijkheid voor wetgeving en besluitvorming die kennelijk tekortschiet’’, met deze stevige oproep aan politici besluit de voorzitter van Raad van de Rechtspraak, Henk Naves,  zijn nieuwjaarstoespraak.[1] Het is een reactie op de commotie die is ontstaan in de Tweede kamer na uitspraken zoals Urgenda, stikstof en IS-kinderen. In de uitspraken zouden de rechters volgens verschillende politici op de stoel zijn gaan zitten van de wetgever. Baudet rakelde zijn Grieks weer op en kwam met een Griekse term ervoor: de dikastocratie, een staatsvorm waar de rechter regeert.[2] De politiek en rechterlijke macht  zijn verwikkeld geraakt in een welles-nietes-discussie. De rechterlijke macht staat op het standpunt dat ze niet veel meer doen dan wat hun staatsrechtelijk gezien is opgedragen. Dat de discussie verhard is blijkt wel uit zeldzame uitlatingen vanuit de hoek die meestal zo stil is, de rechterlijke macht zelf. Zijn rechters hun macht aan het uitbreiden of hebben sommige politici hun colleges Staatsrecht overgeslagen?

Naves voelde de noodzaak het onderwerp aan te snijden tijdens zijn toespraak. Zonder er al te veel woorden aan vuil te maken maande hij politici hun verantwoordelijkheid te nemen als wetten in de praktijk een andere uitwerking hebben dan door politici aanvankelijk is bedoeld. Hoewel het niet expliciet werd gezegd, kwam het er volgens hem op neer dat politici het volk de schijn voorhouden omdat dat hun politieke agenda beter uitkomt.[3] Niet geheel onlogisch: de zelfbenoemde asfalt partij VVD legt veel liever de schuld om 100 km/u te gaan rijden bij de rechter neer dan bij wetgeving die zij zelf gemaakt heeft. De VVD zal ook minder gezichtsverlies lijden wanneer de rechter hen opdraagt zich aan een – door de overheid afgesloten – klimaatakkoord te houden dan wanneer zij zelf de consequenties trekken. De keerzijde is dat de rechterlijke macht het kind is van de populariteitsprijs-rekening. Naves concludeert daarom ook dat de onrust van politici niets anders is dan een afleiden van de verantwoordelijkheid door  verdachtmaking van rechters.

Ook bij de Raad van State wordt het gebruikelijke zwijgen doorbroken. Vice-president De Graaf betoogt dat een oordeel van de rechter dat overheidsbeleid niet rechtmatig is geen .blijk is van een ‘rechtersstaat’, maar juist van een goed functionerende rechtsstaat. De vice-president van het hoogste adviesorgaan betreffende wetgeving vindt dat Kamerleden juist blij mogen zijn met een rechtsstaat die goed functioneert en oog heeft voor alle partijen. Rechter Mattieu Verhoeven vraagt zich in zijn column vooral af op welk gebied de rechters de macht proberen te grijpen, of mogelijk al hebben gegrepen. Het is juist de taak van de rechters om te toetsen of een gedraging of beleid al dan niet in overeenstemming is met (internationale) wetten, of je de overheid bent of niet.[4] Wat dat betreft blijft de rechter rustig op zijn rechtsstatelijke pijler van de trias politica zitten. Oud-president van de Hoge Raad, Geert Corstens, doet nog een duit in het zakje door te stellen dat een rechter juist gehouden is overheidsbeleid te toetsen wanneer de burger dit aan hem vraagt bij verdenking van onrechtmatigheid. Corstens stelt dat de deur niet wagenwijd open is gezet voor allerlei burgerlijke belangengroepen omdat de Nederlandse rechter over het algemeen terughoudend is wat betreft ingrijpen in overheidsbeleid. Er moet heel duidelijk sprake zijn van onredelijk overheidsoptreden of optreden strijdig met internationale verdragen. Ten overvloede overweegt de oud-president dat in de voorgaande uitspraken rechters niet meer hebben gedaan dan de overheid de consequenties van haar eigen (internationale) afspraken en wetten uitleggen.[5]

Wetgeving uitleggen is geen onbekend terrein voor de Nederlandse civiele rechter. In het civiele recht worden al decennia – zo niet eeuwen – lang leerstukken uitgekristalliseerd in de rechtspraak. Het leerstuk van de onrechtmatige daad is misschien wel het meest sprekende voorbeeld. De wetgever heeft de civiele rechter altijd vrijheid gegeven om de open normen in het wetboek in te vullen. Sterker nog: de wetgever laat die taak soms bewust over aan de wetgever, er is geen Minister van Justitie geweest die ooit een handleiding heeft geschreven over de voorwaarden van ‘maatschappelijk verkeer’ in art 6:162 lid 2 BW.  Het heeft geleid tot boeiende conflicten zoals bijvoorbeeld die tussen Molengraaff en de president van de Hoge Raad Eysell in 1912. Waar de rechter zich hier heeft beperkt tot de uitleg van verschillende normen, is er soms ook een voorschot genomen op toekomstige wetgeving. Het taxibus-arrest is het startschot geweest voor de implementatie van smartengeld. De details zullen u bespaard blijven maar het komt erop neer dat de Hoge Raad hier voor het eerst – zonder expliciete wettelijke grondslag – smartengeld heeft toegekend aan derden.[6] Het kan vanuit civielrechtelijk perspectief dan ook niet als een verrassing komen dat het een civiele rechter was die aan de slag ging met de uitleg van verdragen in de Urgenda-zaken. De civiele rechter was het gewend om vage formuleringen – welke ook in dit verdrag stonden – toe te passen op de aanhangige kwestie. In essentie deed de Hoge Raad in dit geval niet veel meer dan de Nederlandse overheid haar eigen afspraken uitleggen.

De politiek voelt zich te kijk gezet en veronderstelt dat de aanval de beste verdediging is.  Met Baudet (FvD) in haar gelederen worden er debatten gevoerd over de veronderstelde inbreuk door rechters. Baudet staat er niet alleen voor, Van der Staaij (SGP) gaf ook aan bezorgd te zijn en VVD’er Tobias van Gent verzocht de instelling van een werkgroep genaamd ‘uitdijende dicastocratie’ (sic).[7] De suggestie die de naam van de werkgroep wekt, lijkt een voorschot te nemen op de uiteindelijke conclusie. Maar ja, in tegenstelling tot de rechterlijke macht hoeft de politiek niet onpartijdig te zijn. Baudet gaf ook een inkijkje in zijn utopie: hij sprak zijn bewondering uit over een omstreden wet die is aangenomen in Polen.[8] De strekking van de wet: rechters die kritisch zijn op het beleid van de regeringspartij kunnen vanaf nu worden gestraft. Het zal u niet verrassen dat Polen door de Europese instituties is verzocht uitleg te geven over hààr opvatting van de trias politica. Baudet lijkt de machtenscheiding volledig overbodig te vinden. Baudet ’s maat Theo Hiddema bepleitte zijn contraire visie in een mooie antithese: hij gaf te kennen dat rechters ‘terug hun hok in moesten’ en dat ze ‘wereldvreemd zijn en niet naar de burger luisteren’.[9] Dat het een het ander uitsluit, lijkt voor Hiddema geen probleem.

Het is een onwenselijke trend waar juíst de wetgevende macht wil infiltreren in de rechterlijke macht. De rechter wordt door de wetgever gebruikt als dekmantel om haar tekortkomingen te verbergen. De Nederlandse rechter heeft altijd mandaat gehad om open normen in te vullen en heeft dat bij oude en recente uitspraken ook gedaan. Het helpt natuurlijk mee dat de overheid het beleid/verdrag zelf heeft opgesteld of de intentie daartoe heeft uitgesproken. Rechters conformeren zich aan hun taak om partijen recht te doen, en wanneer dat nodig is overheidsbeleid te toetsen. Echter, zodra de rechter ze met de neus op de feiten drukt, wordt de legitimiteit van de rechter in twijfel getrokken. Baudet voelt zich daarbij gesteund door de acties van een verkruimelde rechtsstaat in Polen. Andere kabinets- en parlementsleden durven geen verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen wetgeving en beleid. In zekere zin neemt de rechter soms de taak van de wetgever over, maar alleen als de wetgever zelf tekortschiet in het zorgvuldig formuleren en uitvoeren van beleid en wetgeving. Dat de rechterlijke macht zich genoodzaakt voelt zich te verweren, geeft het gevaar van de beschuldigingen aan. Het aanvallen van de rechterlijke macht en haar legitimiteit in twijfel trekken, staat gelijk aan het ondermijnen van je eigen democratie. Wellicht is een college staatsrecht niet overbodig.


[1] Raad voor de rechtspraak, 9 januari 2020, ‘Stop met het verdacht maken van de rechter’, www.rechtspraak.nl

[2] Rechter Mattieu Verhoeven, 13 december 2019, ‘Oneens zijn met de rechter mag – ‘’landjepik’’ is overdreven’, www.nrc.nl

[3] Raad voor de rechtspraak, 9 januari 2020, ‘Stop met het verdacht maken van de rechter’, www.rechtspraak.nl

[4] Jan Hoedeman, 5 december 2019, ‘Vice-president Raad van State tikt Baudet op vingers’, www.ad.nl

[5] Geert Corstens, 24 januari 2020, ‘Het is niet de rechter die regeert’, www.nrc.nl

[6] ECLI:NL:PHR:2002:AD5356

[7] Bart Funnekotter, 20 december 2019, ‘Help, de rechter grijpt de macht’, www.nrc.nl

[8] Bart Funnekotter, 20 december 2019, ‘Help, de rechter grijpt de macht’, www.nrc.nl

[9] Folkert Jensma, 25 januari 2020, ‘Worden ook onze rechters verkwanseld?’, www.nrc.nl

 


Discussie