Leuk leesvoer: arresten over eten

door:
Kan een taart die per ongeluk bij een verkeerd persoon terecht is gekomen, maar expres vergiftigd is leiden tot moord? Kan het eten van een zakje pinda’s leiden tot het verlies van je baan? Als er een regel over voedsel gedelegeerd is, maar de regels hebben verschillende doelen kunnen ze dan terzijde worden gelegd? Dit zijn allemaal uitspraken met als hoofdonderwerp eten, die voor het recht een grote invloed hebben gehad op de ontwikkling en tot op de dag van vandaag nog steeds belangrijk zijn.

 

  1. Zakje pinda’s- arrest [1]

Dit arrest uit 2001 speelde zich af in het rechtsgebied arbeidsrecht en ging over een ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet is geregeld in art. 7:667 lid 1 BW. Aan dit artikel zijn drie toetsingscriteria te onderscheiden. Een van de criteria die uit dit artikel voort vloeit om aan ontslag op staande voet te voldoen is dat er terecht sprake moet zijn geweest van een ‘dringende reden’. Dit arrest heeft een belangrijke invulling gegeven aan dit criterium. 

In deze zaak ging het om een cateringbedrijf op Schiphol die zich bezig hield met het verzorgen van cateringactiviteiten ten behoeve van verschillende luchtvaartmaatschappijen. Het bedrijf had als beleid dat het toe-eigenen van andersmans zaken tot een ontslag op staande voet zou leiden. Het ging hier ook om zaken met een zeer geringe waarde, bijvoorbeeld in geval van beschadiging of bederving. Als er sprake is van beschadiging of bederving wordt er van de werknemers verwacht dat de zaken weggegooid worden. Dit beleid stond in een gedragscode en was regelmatig aan de orde geweest in het personeelsblad. Op 26 augustus 2000 had de toenmalige afdelingsmanager, omdat hij wegens de drukte geen mogelijkheid had gehad om te eten, een zak pinda’s opgegeten. Het ging om een zakje pinda’s die al door een klant retour was gedaan en reeds geopend was. Nadat hij met een collega over het incident gepraat had, heeft hij op 28 augustus 2000 hier zelf een melding van gedaan. Op 29 augustus werd hij direct op non-actief gesteld en de dag erna op staande voet ontslagen. 

Was zo een klein vergrijp voldoende om gezien te worden als een dringende reden iemand op staande voet te ontslaan? De rechter keurde het ontslag goed en het opeten van een, al geopend, zakje pinda’s werd gezien als een terechte dringende reden. De rechter motiveerde zijn beslissing door te stellen dat het beleid voor iedereen heel duidelijk was en de manager als een voorbeeldfunctie moest optreden. 

Dit laat zien dat ook een onbenullige misstap gezien kan worden als een dringende reden en tot een ontslag op staande voet kan leiden.  Dit arrest was ook de voorloper van het latere Bijenkorf arrest[2]in 2012, waarin er een soortgelijke situatie afspeelde en de Hoge Raad drie criteria heeft gegeven om een kleine misstap als voldoende zwaarwegende reden te laten gelden, namelijk: 

  • Werknemers van het bedrijfsbeleid op de hoogte waren
  • De werknmer wist dat dit ook daadwerkelijk gehandhaafd werd
  • De werknemer door zijn eigen handelwijze aanleidng heeft gegeven tot een vertrouwensbreuk met zijn werkgever
  1. Broodje medicijn- arrest [3]

Dit arrest speelt zich af in het rechtsgebied staatsrecht en gaat over of taken gedelegeerd mogen worden of niet. Delegatie betekent het overdragen van regelgevende bevoegdheden door de wetgever aan een ander, meestal lager, ambt zodat dat andere ambt die bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid kan uitoefenen. De wetgever bepaalt of hij het mogelijk maakt om te delegeren. 

In dit arrest ging het om art. 7en 8 Broodbesluit, die stelde dat brood in bakkerijen alleen nog maar bereid mocht worden met jodiumhoudend keukenzout in plaats van normaal keukenzout. Dit broodbesluit was een AMvB, gebaseerd op de Warenwet. Een bakker uit Haaksbergen weigerde dit te doen en had dus alleen brood in zijn bakkerij dat was voorbereid zonder jodiumhoudend keukenzout. De consequenties waren dat hij hiervoor een boete kreeg. Hij stelde dat het Broodbesluit helemaal geen wettelijke grondslag kon vinden in de Warenwet. Het doel van het Broodbesluit was om Struma, de volksziekte, te voorkomen. Het doel van de Warenwet was dat AMvB’s gemaakt konden worden als zij in het belang van de volksgezondheid waren, er moeten dus geen dingen in brood zitten die schadelijk zijn voor de volkgsgezondheid en afdoen aan de voedingswaarde. Het brood van de bakker in casu, dat niet is bereid met jodiumhoudend keukenzout, voldoet hier nog steeds aan.  In zijn verweer voerde hij dan ook aan dat hij niet strafbaar had gehandeld, omdat art. 7en 8 Broodbesluit met de bepalingen dat er jodiumhoudend broodzout gebruikt moet worden, geen grondslag kan vinden in de Warenwet. 

De Hoge Raad gaf de volgende overweging: de strekking van de Warenwet, beschouwd in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming, brengt dat er uitsluitend voorschriften kunnen worden gegeven in het belang van de volksgezondheid. Voorzieningen om andere redenen dan in art. 16 Warenwet, worden niet geacht in het belang van de volksgezondheid te zijn. Dus, art. 7 en 8 Broodbesluit vinden geen wettelijke grondslag in art. 16 lid 1 Warenwet, omdat noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat de wetgever de bevoegdheid zou hebben willen delegeren om regels te maken over de broodbereiding om Struma te voorkomen.  De bakker werd ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit arrest was van belangrijke betekenis, want hieruit kwam dus voort dat als de doelstelling van de wet in formele zin anders is dan die in het AMvB, die geen gronslag geeft voor de AMvB, ook al zou het anders wel gedelgerd kunnen worden. 

  1. Hoornse taart-arrest[4]

Ten slotte, misschien wel de meest bekende uitspraak voor iedere rechtenstudent met betrekking tot eten: de Hoornse taart-arrest. Dit arrest komt uit 1911 maar heeft tot op de dag van vandaag nog steeds invloed op ons strafrecht. Het is het standaardarrest geworden voor de invulling van het element voorwaardelijk opzet voor moord. 

In dit arrest begon het probleem met een ruzie tussen de twee collega’s Willem Markus en Johannes Beek. Samen werkten ze in het gemeentehuis als bode. Daarnaast waren ze ook marktmeester en verantwoordelijk voor het innen van het geld voor de jaarmarkten, weekmarkten en de kermissen. Op een dag vermoedde Willem Markus dat Johannes Beek kermisgeld had achtergehouden. Nadat Willem Markus het daadwerkelijk wist heeft hij Johannes Beek hiermee geconfronteerd. Toen hij hiermee werd geconfronteerd betaalde hij het geld direct terug en beloofde Willem markus het voorval niet te melden. Alsnog werd Johannes ontslagen door het college van burgemeester en wethouders. Door het verlies van zijn baan kreeg hij diepe haatgevoelens tegen Willem Markus. Hierdoor besloot hij hem te vermoorden. 

Johannes had voor Markus een taart gekocht. Echter, voordat hij de taart, onder een valse naam, liet bezorgen bij de familie Markus had hij er rattenkruid in gedaan. Dit rattenkruid werkte als vergif. Toen de taart was aangekomen liep het echter niet volgens plan. Toen de taart was bezorgd, werd de taart door zijn vrouw en dienstmeisje opgegeten en Willem Markus had de taart nooit aangeraakt. Zijn vrouw overleed door het rattenkruid en het dienstmeisje raakte ernstig ziek. 

De rechtsvraag in casu was of Johannes Beek vervolgd kon worden voor moord. Om te kunnen spreken van moord moet er namelijk sprake zijn van opzet. Opzet houdt in dat een persoon de gedraging wilt doen met alle gevolgen die erbij horen en zich hier ook bewust van is. Johannes Beek verdedigde zichzelf hier door te zeggen dat het bestanddeel opzet niet bewezen kon worden. Zijn opzet was namelijk gericht op het ombrengen van Willem Markus en niet op het ombrengen van de vrouw. 

De Hoge Raad was van mening dat Johannes Beek wist dat degene die van de taart zou eten, daaraan zou te komen overlijden. Hij was er ook van op de hoogte dat Willem Markus niet alleen in het huis woonde, maar dat er ook meedere mensen verbleven op het desbtreffende adres. Hij had dus van tevoren kunnen bedenken dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat iemand anders dan Willem Markus van de taart zou kunnen eten en daardoor zou komen te overlijden. Doordat hij wist van deze kans en de gevolgen op de koop toe heeft genomen, is er sprake van voorwaardelijk opzet. Hij heeft immers willens en wetens de aanmerkelijke kans geaccepterd dat de vrouw van de taart zou eten. Voorwaardelijk opzet werd bewezen geacht waardoor er aan het bestanddeel opzet voldaan was. Johannes Beek werd veroordeeld voor moord. 


[1]16 november 2000, JAR 2001, 9

[2]HR 20 april 2012, JAR 2012/135

[3]HR 10 april 1984, NJ 1984, 612

[4]HR 19-06-1911, W 9203


Discussie