Mohammed Enait, de zittende advocaat

door:
“Luidkeels brullend en intimiderend, op de imposante borst roffelend, grijpt King Kong naar Vrouwe Justitia met zijn leerachtige knuist, terwijl de Rotterdamse deken Claassen, die bijzonder verzot is op de blonde femme fatale, dwangneurotisch het machinegeweer van het tuchtrecht, met veel gevoel voor technisch spektakel, leegschiet.” Het waren de eerste woorden van Mohammed Enait tijdens het debat ‘diversiteit of zotheid’ op 22 april jongstleden op de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zoals altijd het geval is bij Enait wisselden stevige aantijgingen aan het adres van de ‘witte man’ zich af met een waterval van ingewikkelde praterij. Vermakelijk is het zeker, maar of het altijd even constructief is, valt te bezien. Het was voor het publiek moeilijk te bepalen of deze beeldende zegswijze de ietwat komische kant van deze affaire moest benadrukken, of dat zijn attitude bittere ernst was. In dit artikel een beschouwing rondom de zaak van de zittende advocaat.

De feiten

Op 1 augustus 2008 werd Mohammed Enait als advocaat beëdigd bij de Rechtbank Rotterdam. Hij oefent vanaf dat moment als stagiaire de praktijk uit onder toezicht van mr. J. G. Jairam, de naamgever van Jairam Advocaten. Tijdens de behandeling van een strafzaak door de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam op 6 augustus 2008 trad Enait voor het eerst op als advocaat. En in die hoedanigheid heeft hij geen gehoor gegeven aan de oproep van de bode om op te staan voor de binnenkomende rechters.

Het bestuur van de rechtbank sprak begin september met Enait over zijn gedrag. Hierop heeft de rechtbank een aanbeveling opgesteld, waarin stond dat een advocaat in principe uit respect opstaat, maar in zeer uitzonderlijke gevallen mag blijven zitten als diepe geloofsovertuigingen hem dat voorschrijven. Een publiek debat was het gevolg. Een debat dat volgens Enait bewust is ontlokt: “Er is een aanbeveling gemaakt, waarin staat dat er niet zal worden opgetreden. Eén van de rechters was het daar echter niet mee eens en is gaan lekken naar een journalist van het NRC. Dat was in september. Daarna is het balletje gaan rollen, zijn er politici ingeschakeld en is er een soort politieke hetze ontstaan.” Ook de minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, en de voorzitter van de Raad voor de Rechtspaak, Erik van den Emster, lieten zich niet onberoerd. Volgens hen gaat het niet om een principe, maar dienen alle advocaten op te staan voor de rechter uit eerbied voor de autoriteit van het recht.

In diezelfde maand, september 2008, heeft de Deken van de Orde van Advocaten, Willem Claassen, namens de Raad van Toezicht van diezelfde Orde een tweetal gesprekken met Enait gevoerd. Naar aanleiding van die gesprekken besluit de Deken de bestaande bezwaren voor te leggen aan de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten. Op 1 december 2008 verschijnt Enait dan ook voor de Raad, tijdens de inhoudelijke behandeling van de klacht. Omdat hij zijn twintig pagina’s tellende pleitnota niet volledig mag voorlezen, dient Enait een wrakingsverzoek in. Het verzoek wordt echter afgewezen. De Raad van Discipline deed op 4 mei jongstleden uitspraak.

Respect valt vanuit de rechtspraak louter te winnen door partijen tot hun recht te laten komen, door naar hen te luisteren en een juiste en goed gemotiveerde beslissing te nemen

Het panel

Terug naar het debat van 22 april. Naast de hoofdpersoon Enait zaten ook Peter Ingelse (vicepresident van het Gerechtshof Amsterdam), Ties Prakken (advocate en emeritus hoogleraar strafrecht), Willem Schinkel (socioloog) en Henk Oosterling (filosoof en tevens de eerste scriptiebegeleider van Enait) in het discussiepanel. Allen kregen de mogelijkheid hun visie te geven op de hierboven beschreven casus.

Peter Ingelse

De rechter heeft als taak om de orde tijdens het onderzoek ter terechtzitting te bewaren. Verstoort iemand die orde, dan kan de rechter besluiten deze persoon te laten verwijderen. Of de ordegrens wordt overschreden hangt af van de omstandigheden en het persoonlijke oordeel van de rechter. Zo stond het Hof Amsterdam lang geleden toe dat een RaRa-verdachte (Revolutionaire Anti-Racistische Actie: een pressiegroep, wier daden als ‘politiek gewelddadig activisme’ werden omschreven) onderuit zakte en de benen op het hekje legde. Een politierechter heeft een verdachte wel eens voor veel minder de zaal uitgestuurd, toen deze weigerde zijn pet af te doen. Waar de rechter hoe dan ook niet over gaat, is het fatsoen ter terechtzitting, tenzij het zo onfatsoenlijk wordt dat het de orde verstoort. Opstaan voor de rechter is een respect tonend gebruik. Het is te vergelijken met het huidige ‘majesteit’ en ‘excellentie’, of het vroegere ‘edelachtbare heer of vrouwe’, waarmee een rechter decennia terug werd aangesproken. Dergelijke gebruiken komen en gaan. Zij passen zich voortdurend aan de tijd aan. Voordat een advocaat met zijn beroep mag aanvangen, heeft hij onder andere moeten zweren of beloven eerbied te zullen tonen aan de rechterlijke autorieit. De tuchtrechter waakt er vervolgens over dat een advocaat zich niet schuldig maakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

De vraag is nu of het niet opstaan voor de rechter aangemerkt kan worden als geen eerbied tonen, en zodoende datgene nalaten dat een behoorlijk advocaat betaamt. Als het antwoord hierop bevestigend luidt, rijst de vraag of we de advocaat moeten tuchtigen. Een gepaste maatregel is moeilijk te vinden. Moeten we hem een repeterende waarschuwing geven? Of gaan we hem berispen, daarna schorsen en ten slotte van het tableau verwijderen? Dat gaat uiteraard veel te ver. De tuchtrechter zal moeten uitmaken of het een behoorlijk advocaat betaamt om op te staan voor de rechter. Respect voor de rechterlijke macht is van groot belang. Maar dat respect valt niet op te leggen, zo ook niet in het geval van de zittende advocaat Mohammed Enait. Respect valt vanuit de rechtspraak louter te winnen door partijen tot hun recht te laten komen, door naar hen te luisteren en een juiste en goed gemotiveerde beslissing te nemen.

Ties Prakken

In de onderhavige kwestie is sprake van een botsing tussen de rituelen van religie en de rituelen van rechtspleging. Rituelen geven mensen het gevoel dat zij ergens bijhoren. De consequentie is dat het mensen uitsluit die niet aan de rituelen wensen mee te doen. Binnen de rechtspleging is dat niet anders. Opstaan en zitten hoort er op bepaalde momenten bij. Buitenstaanders krijgen van een bode op gebiedende wijze te horen wanneer zij moeten staan en weer mogen zitten. Daarmee wordt subtiel aangegeven dat zij wordengetolereerd, maar er niet bijhoren. Dergelijke rituelen zijn onderhevig aan veranderingen. Zo wordt het dragen van mutsen, zoals dat in de negentiende eeuw gebruikelijk was, in onze tijd als achterhaald en onnodig ervaren. In de woelige jaren ’60 was het ritueel binnen de rechtspleging veel onderdaniger en strikter dan nu het geval is. Wanneer een advocaat in de rechtszaal de rechtbank benaderde, moest hij een buiging maken. Vrouwelijke advocaten maakten een kniebuiging. Bij het verlaten van de rechtszaal diende de advocaat wederom een buiging te maken, om vervolgens achteruit de zaal te verlaten. Min of meer demonstratief werd door de nieuwe lichting advocaten langzaam opgehouden met het buigende ritueel. Daar is nooit een klacht over ingediend: niet door anderen bij de Deken en niet door de Deken tegen de advocaten. Men heeft het knarsetandend geaccepteerd.

In die jaren werd wel schande gesproken van de eerste gymschoenen en spijkerbroeken die onder de toga uitstaken. Waarom kon men zich in die tijd wel een schoffering van het ritueel veroorloven en kan Enait dat in onze tijd niet? Om te beginnen was de tijdsgeest een totaal andere. Veertig jaar geleden was de wereld bezig om zich te bevrijden van een hoop gewoontes, terwijl men momenteel niet conservatief genoeg kan zijn. Daarnaast was de toenmalige generatie advocaten weliswaar jong en brutaal, maar zij werden wel gezien als de nieuwe generatie advocaten en hoorden er in principe gewoon bij. Enait komt daarentegen uit een andere cultuur, die over vrijwel heel de wereld met argusogen wordt bekeken. Zijn gedrag wordt gezien als ongeïntegreerd.

We moeten stoppen over deze rituelen te spreken alsof het al te serieuze dingen zijn

Nog veel erger dan de weigering om te gaan staan is de reactie van sommige politici, waaronder ook die van minister van Justitie Hirsch Ballin moet worden begrepen. Zij menen dat de rechterlijke macht het ritueel verplicht moet stellen en dat de advocatuur zich tegen het optreden van één van haar leden moet keren. Daarmee wordt zowel de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de advocatuur ten opzichte van de overheid miskend, als die van de advocatuur ten opzichte van de rechterlijke macht. De rechterlijke macht dient binnen het kader van het onderzoek ter terechtzitting zelf te bepalen hoe zij respect afdwingt. Politici hebben dat niet voor te schrijven. We moeten ophouden met het gedoe rondom boerka’s, hoofddoekjes en het opstaan voor de rechter. Er zijn rondom de migratie veel serieuzere problemen waar we over moeten spreken. We moeten stoppen over deze rituelen te spreken alsof het al te serieuze dingen zijn.

Willem Schinkel

De vraag is of we deze affaire komisch, ergerlijk of bloedserieus moeten vinden. Veel van wat Enait zegt, is humoristisch. Tegen het verlichte Westerse recht zeggen dat je niet opstaat, omdat de Islam leert dat alle mensen gelijk zijn, is een dolkomische omkering van de clichés van het hedendaagse verlichtingsfundamentalisme. Maar humor behelst ook zelfrelativering, en dat blijft uit. Het taalgebruik van Enait is vaak opgezwollen en getuigt van een zeker pathos. Dat maakt veel van wat hij zegt niet perse onzinnig, maar het doet zijn zaak geen goed, omdat het ergerlijk is en omdat hij zichzelf tot joker maakt en alleen als clown geaccepteerd zal kunnen worden. Op zich moeten we deze affaire wel degelijk bloedserieus nemen. Enait dwingt het sociale systeem van het recht tot een zelfreflectie die reëel en nuttig is. Bovendien heeft het betrekking op een bredere discussie die in Nederland woedt over de plaats van de Islam. De vraag is: wat moeten we aan met deze kwestie?

Enerzijds doet Enait zichzelf te kort in zijn geloof wanneer hij weigert op te staan voor de rechter. Anderzijds ziet hij te veel transcendentie in de rechter. Als het Enait erom gaat dat hij niet wenst op te staan voor de rechter, omdat iedereen voor God gelijk is, dan verwart hij de persoon van de rechter met diens positie. Als het erom gaat dat het recht niet het sacrale aura van het goddelijke heeft, dan begaat Enait een andere fout. Het opstaan voor de rechter is een conventionele vertaling van het respect voor het recht, maar het respect voor het recht moet niet verward worden met de conventie die dat respect uitdrukt. Het contigent van de conventie had anders kunnen zijn en is in zekere zin relatief arbitrair. Het recht had ook staand volbracht kunnen worden, met als conventie dat men even gaat zitten als de rechter binnenkomt. Wat Enait doet als hij om religieuze redenen niet wenst op te staan voor de rechter, is het op één lijn stellen van God en de rechter. Het op één lijn stellen van die conventie met een religieuze verhouding is een vergissing, die enerzijds de conventie belangrijker maakt dan hij is, en die anderzijds de religieuze verhouding bagatelliseert.

De ene kant van het verhaal is dus dat Enait van een aardse conventie een bovenaards ding maakt en zich om die reden buitenaards opstelt

De ene kant van het verhaal is dus dat Enait van een aardse conventie een bovenaards ding maakt en zich om die reden buitenaards opstelt. Aan de andere kant is het natuurlijk absurd om onzeker te worden over jezelf, je identiteit en je integriteit als een of ander persoon niet opstaat. Maak een uitzondering en zeur er niet langer over. Wie Enait wil verplichten op te staan, maakt dezelfde fout als hijzelf. Hij of zij maakt van een conventie iets natuurlijks, iets meer dan conventioneels. Iets dat meer dan contingent en veranderlijk is, maar dat essentieel en noodzakelijk is. En dat is het niet. Het recht is over het paard getild als het haar conventies, die voor de rechtsgang van geen verder formeel inhoudelijk belang zijn, op die manier zou verdedigen. Iedereen die Enait wil verplichten op te staan voor de rechter kent, net als Enait zelf, onterecht religieuze status toe aan een conventie. God en het recht mogen zowel omwille van God, als omwille van het recht niet op hetzelfde plan worden geplaatst. Waar het om gaat, is dat het recht niet de fout maakt om God als serieuze concurrent van de rechter te beschouwen. Dan meet het zich een gevaarlijke hubrys (overmoed) aan. Enait mag de fout maken om het recht een quasigoddelijke status te geven, het recht mag die fout niet maken.

Henk Oosterling

In veel gevallen gaat het erom dat mensen creatief met hun verzet omgaan. Enait is een absolute discoursstrateeg. Hij wil een nieuw discours opzetten door het oude discours te deconstrueren. Dit doet hij door te laten zien wat voor veronderstellingen erachter zitten en dat deze veronderstellingen volstrekt achterhaald en nergens op gebaseerd zijn. Om die lege vorm aan de kaak te stellen, blijft hij zitten en geeft hij geen handen. Bij deze kwestie is dus sprake van een opstand. Maar wat is nu eigenlijk het statuut van hetgeen Enait doet?

Hij zal zijn huidige taalgebruik moeten openbreken en iets moeten inbouwen waardoor anderen kunnen meedoen in deze discussie

Enait maakt een performatief statement. Maar op de een of andere manier zit daar iets in wat zorgen baart. Wat is zijn volgende stap? Wat moet hij doen om vol te houden wat hij nu doet? Hij zal de grens moeten bepalen waar hijzelf nog inziet dat hij het ergens voor doet, of alleen maar performatief narcisme bedrijft. Als Enait werkelijk meent wat hij heeft geschreven in zijn scriptie over het opzetten van Muslim critical studies, dan zal hij moeten laten zien waar hij de de- van deconstructie achter zich laat, en gaat construeren. Daarvoor dient hij wel communiceerbaar te blijven. Hij zal zijn huidige taalgebruik moeten openbreken en iets moeten inbouwen waardoor anderen kunnen meedoen in deze discussie. Discoursstrategisch gezien is hetgeen hij momenteel doet noodzakelijk. Maar wanneer tilt hij dit over zichzelf heen en maakt hij het tot een echt maatschappelijk debat, waar anderen ook in kunnen stappen?

De uitspraak

De Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage deed op 4 mei jongstleden uitspraak inzake de klacht van de Deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Rotterdam tegen mr. M.F.A. Enait 1. De klacht bestond uit drie verwijten:

  1. Enait heeft ter terechtzitting van de Rechtbank Rotterdam op 6 augustus 2008 een hoofddeksel gedragen, dat niet voldoet aan de geldende voorschriften op het punt van het kostuum;
  2. Enait heeft als advocaat ter terechtzitting van de Rechtbank Rotterdam op 6 augustus 2008 geweigerd op te staan voor de rechters;
  3. Enait heeft zich in het openbaar uitgelaten over een vonnis van de Rechtbank Rotterdam en over de persoon van de rechter die het vonnis had gewezen.
In dit artikel beperk ik mij tot de beslissing omtrent verwijt B, gezien het feit dat het debat an sich zich eveneens tot de weigering tot het opstaan voor de rechter heeft beperkt. Voor de overwegingen bij verwijt A en C verwijs ik graag naar de uitspraak van de Raad van Discipline 2. De Raad stelt vast dat Enait niet is opgestaan toen de rechtbank de rechtszaal betrad. De Deken heeft in de toelichting op dit klachtonderdeel aangevoerd dat het opstaan gebaseerd is op een gewoonteregel, die algemeen is aanvaard in Nederland en daarbuiten. Naar het oordeel van de Raad heeft de Deken dit juist weergegeven, met de toevoeging dat naleving van deze gewoonteregel door de rechter in bepaalde gevallen uitgezonderd kan worden, afhankelijk van de omstandigheden waarin de zitting plaatsvindt. De Raad meent dat deze beslissing los staat van de persoonlijke intentie van de betrokken advocaat. De Raad overweegt verder “dat de norm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat […] verweerder gehouden is om ten overstaan van de rechterlijke autoriteiten de aan de orde zijnde gewoonteregel, die is aan te merken als gedragsregel, in acht dient te nemen.” Enait heeft bewust om hem moverende redenen de gedragsregels niet nageleefd, terwijl de rechter niet heeft aangegeven dat naleving achterwege kon blijven, aldus de Raad. Het feit dat Enait tijdens de zitting op 6 augustus een brief van de directeur bedrijfsvoering van de Rechtbank Rotterdam heeft overlegd waarin hem toestemming voor zijn weigering werd verleend, doet daar volgens de Raad niets aan af. De mening van de directeur bedrijfsvoering is niet bepalend voor het tuchtrechtelijk oordeel. Bovendien is gebleken dat de brief is geschreven voor een situatie waarin Enait niet als advocaat optrad, maar daar was als bezoeker. Het voorgaande brengt mee dat de Raad klachtonderdeel B gegrond acht en heeft esloten – mede ook op basis van klachtonderdeel A en C – als maatregel een berisping op te leggen.

Hoger beroep

Als reactie op het besluit van de Raad van Discipline heeft Enait aangegeven in hoger beroep te gaan bij het Hof van Discipline. Hij voelde zich als Nelson Mandela: “A black man in a white man’s court.” Tot het moment dat het Hof zich over de zaak heeft gebogen, mag Enait zijn beroep gewoon blijven uitoefenen. De Deken reageerde bij monde van Willem Claassen tevreden op de beslissing en gaf aan een nieuwe klacht te overwegen indien Enait opnieuw weigert op te staan. In het uiterste geval kan de Deken een verzoek doen om Enait niet langer als advocaat te laten optreden. Die beslissing is dan uiteindelijk aan de tuchtrechter.

A module item was inserted here.

Module: Poll
Item: Ben jij het hiermee eens?

This block will be replaced with module specific content when displayed on the website.

Uit: Fiat Justitia, 2009, jaargang 21, nummer 3.


Tags

discriminatie rechtspraak advocatuur islam geloof respect formaliteit mohammed enait

Discussie