Moordenaar mag vergeten worden. Het internetvergeetrecht doet opnieuw stof opwaaien.

Door: Matthijs van Dijk

In een tweetal eerdere bijdragen heeft Fiat Justitia geschreven over het recht om vergeten te worden.[1] Een recht op grond van artikel 17 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Opnieuw doet dit recht stof opwaaien in de Europese rechtspraak.

Vergeten worden heeft vaak een negatieve associatie, met goede reden. Vergeten worden wekt de veronderstelling onbelangrijk te zijn. Écht vergeten worden is daarentegen door online-services als Google of Facebook vrijwel onmogelijk. Met de komst van het internet en toegang tot een bijna oneindige bron van informatie - welke ook allemaal wordt opgeslagen - is het eenvoudiger dan ooit om het leven van mensen te volgen. Maar wat als de informatie die over jou te vinden is op het internet, onjuist is? Wat als deze informatie je belemmert in de voorruit gang op gebied van carrière  of in het ontwikkelen van andere aspecten van je leven? Weegt de vrijheid van informatie en het maatschappelijk belang hiervan op tegen het recht van een individu om ‘vergeten’ te worden. Tot hoever strekt dit vergeetrecht? In het  afgelopen decennium heeft de rechtspraak hierover zijn hoofd gebroken. Een aantal weken geleden heeft het Duitse constitutioneel gerechtshof een uitspraak gedaan waarin zij het recht om vergeten te worden, toekennen aan een veroordeelde moordenaar.[2] De richting die het Duitse gerechtshof hiermee de toepassing van het vergeetrecht in duwt wordt kritisch bekeken. Gaat het hier om een gerechtvaardigde toepassing van dit recht of is hier sprake van geschiedvervalsing?

De uitspraak uit Duitsland
De man die in december 1981 twee mensen doodschoot op een zeiljacht en een ernstig verwondde werd in 1982 veroordeeld.[3] In 2002 kwam hij vrij. Het tijdschrift Der Spiegel zette in 1999 archieven online van berichtgeving over de zaak waar de naam van de dader in werd genoemd. De man wil niet dat deze oude krantenartikelen zo gemakkelijk gevonden kunnen worden of dat zijn naam hier   in genoemd wordt. Om dit te bewerkstelligen stapte hij in 2009 naar de rechter teneinde de artikelen te laten verwijderen, omdat deze artikelen, zo stelde hij, hem in zijn persoonlijke ontwikkeling schaadden. In 2012 oordeelde de rechtbank in Duitsland echter dat zijn individuele recht op privacy niet opwoog tegen het publieke belang en persvrijheid.[4] 

Costeja-arrest: de start van het internetvergeetrecht
Twee jaar na de eerste uitspraak van de Duitse rechtbank kwam er nieuwe rechtspraak d     at de deur voor de toepassing van het vergeetrecht openzwaaide. In het Costeja-arrest stelde het Europese Hof van Justitie dat iedere Europese burger het recht had vergeten te worden.[5] In het voornoemde  arrest maakte Mario Costeja González bezwaar tegen de online publicatie van een dagblad waarin een bericht stond betreffende de openbare verkoop van een onroerende zaak van Costeja González als gevolg van een beslaglegging. Hij verzocht in zijn bezwaar aan het dagblad en Google Spain om deze publicatie te verwijderen of verwijdering van zijn persoonsgegevens zodat hij niet meer de publicatie gelinkt zou kunnen worden. Costeja González stelde dat de informatie die in het bericht stond zijn relevantie had verloren en hem alleen nog maar schaadde.[6]

Het internetvergeetrecht
Het recht op vergetelheid heeft een enigszins bijzonder karakter. Hoewel het in de lijn van de gedachte achter de AVG ligt, is het een recht dat – in ieder geval in eerste instantie – gebaseerd is op een heel specifiek gebied, namelijk het internet. Het wordt niet voor niets het ‘internetvergeetrecht’ genoemd.[7] Veel rechtsgeleerden zijn het erover eens dat dit een spraakmakend recht is waar het laatste woord nog niet over gezegd is.[8]

Op grond van artikelen 7 en 8 van het Europees Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: “het Handvest”) en artikel 8 van het EVRM heeft eenieder recht op eerbieding van zijn privéleven. Voornamelijk lid 2 van het Handvest is belangrijk. Hierin ligt de beperking voor het verwerken van persoonsgegevens, namelijk dat deze slechts verwerkt mogen worden indien de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang voor de verwerkingsverantwoordelijke. Kortgezegd oordeelt het Europees Hof hieromtrent dat er bij het internetvergeetrecht twee botsende grondrechten zijn: het recht op informatievergaring voor de internetgebruiker versus het recht op eerbieding van het privéleven. Er dient een juist evenwicht worden gevonden tussen het gerechtvaardigde belang van de internetgebruiker, die potentieel toegang tot de betrokken informatie willen krijgen, en de hiervoor genoemde rechten van de betrokkene. Bijzonder om te zien is dat de privacybelangen van de betrokkenen ‘in de regel’ dienen te prevaleren over de belangen van de internetgebruikers (par. 81). De belangenafweging kan in het voordeel van de internetgebruiker vallen, echter kan dit slechts in bijzondere gevallen en is afhankelijk van ‘de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te schikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.’[9]

Sinds dit arrest bestaat dan ook het recht om vergeten te worden. De betrokkene heeft het recht om zijn persoonsgegevens te laten wissen wanneer de persoonsgegevens niet langer noodzakelijk zijn voor de verwerkingsdoeleinden. Deze ontwikkelingen binnen de privacywetgeving leidde er mede toe dat het hoogste gerechtshof in Duitsland eind november van dit jaar de uitspraak van de Duitse rechtbank in 2012 vernietigde. In 2012 werd  geoordeeld dat het belang van de man om zich zonder belemmering te kunnen ontwikkelen niet in verhouding stond ten opzichte van het publieke belang en de vrijheid van informatie.[10] Bij deze belangenafweging is het constitutioneel gerechtshof nu tot  een andere conclusie gekomen. In de overwegingen wordt gesteld dat de informatie gegeven in het artikel van Der Spiegel door het beloop van de tijd ( het gaat dan ook om veertig jaar) minder relevant is geworden en het publieke belang bij de informatie is afgenomen.[11]

De Nederlandse rechtspraak inzake het internetvergeetrecht
Het duurde niet lang of de Nederlandse rechtspraak wierp een beperking op in het dan al zo gedoopte internetvergeetrecht. Het uitgangspunt werd dat wanneer zoekresultaten verwijzen naar het criminele verleden van de betrokkene, de belangenafweging in het voordeel uitvalt van de zoekmachine. Er wordt overwogen dat het plegen van een misdrijf nu eenmaal tot gevolg kan hebben dat je als persoon in een negatief daglicht komt te staan.[12] Een dergelijke veroordeling is -gezien het recht op informatievergaring- voor de internetgebruiker blijvend relevante informatie.[13] Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zijn de negatieve berichten ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’. De Hoge Raad was het echter niet eens met deze overwegingen en was meer privacy gezind. Een crimineel verleden van een betrokkene zal niet meer de doorslaggevende factor zijn, nu “het enkele feit dat [eiser] in eerste aanleg is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf en dat sprake is geweest van publiciteit” onvoldoende is om gerechtvaardigde belangen te hebben de gegevens te blijven verwerken.[14]

Dat dergelijke verzoeken en de daarmee behaalde jurisprudentie zeer casuïstisch is, moge wel duidelijk zijn. Waar dit vooral in zit, is de rol die de betrokkene in het openbare leven heeft,[15] bijvoorbeeld KPMG-partner[16], journalist[17] of advocaat.[18] De inmenging in de grondrechten van de betrokkene wordt dan gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek heeft om toegang tot de informatie te krijgen.  Uiteraard is eveneens van belang dat de informatie die weergeven wordt -in essentie- juist is.[19] De voorzieningenrechter van Rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat Google een zoekresultaat niet hoefde te verwijderen, omdat de betrokkene niet aan kon tonen hij wél over behaalde diploma’s beschikte en dus bij gebrek aan bewijs het verzoek werd afgewezen.[20] Ook het tijd(verloop) speelt een belangrijke rol.[21]

Onderscheid maken
Uit jurisprudentie blijkt dat veelal onderscheid gemaakt wordt tussen de gevonden zoekresultaten en de inhoud van de webpagina waarnaar verwezen wordt. Rechtbank Amsterdam overwoog dat het niet gaat om of de inhoud van het artikel zelf ontoereikend, irrelevant of bovenmatig is, maar vooral gaat over de relevantie van een zoekresultaat.[22] Een ander voorbeeld van onderscheid is de zaak die voor Rechtbank Amsterdam lag in maart 2015.[23] De rechtbank overweegt dat het betrekkelijk eenvoudig is voor een aanbieder of beheerder van een website om aan de aanbieder van een zoekmachine een instructie te geven waardoor de betreffende artikelen niet langer in de zoekresultaten voorkomen. Wat dit vonnis bijzonder maakt is de vraag of een dergelijk verzoek om zo de persoonlijke levenssfeer te beschermen, verzoend kan worden met de vrijheid van meningsuiting. Rechtbank Amsterdam vindt van wel. Mourcous en Weij schrijven hierover dat dit een zeer bijzondere overweging is, daar de persexceptie de toepasselijkheid van (oud)artikel 36 Wbp de (nationale) grondslag voor verwijderingsverzoeken uitsluit.[24] Ook Kreijger verbaast zich over deze uitspraak en vraagt zich af waar dit vonnis op gebaseerd is.[25]

Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen de onderliggende informatie op de bronpagina en de zoekresultaten zelf, volgt uit de redenering van A-G Jääskinen.[26] Het Hof lijkt deze redenering over te nemen,[27] maar gaat veel verder en geeft aan dat zoekresultaten, ook al is de inhoud rechtmatig en correct, verwijderd moeten worden als de verwerking, gelet op het geheel van omstandigheden, ontoereikend, niet (meer) ter zake dienend of bovenmatig zijn.[28] Het onderscheid, zoals wij deze in de Nederlandse rechtspraak zien, lijkt door het Hof dan ook in mindere mate toegepast te worden.

Kritiek op het internetvergeetrecht
Duidelijk moge zijn dat dit antwoord enorm veel impact heeft op het privacyrecht zoals wij dat kende. Deze overweging is dan ook door velen bekritiseerd.[29] De meeste kritiek komt op de overweging dat de belangen van een betrokkene ‘in de regel voorrang’ heeft op de belangen van de internetgebruikers. Zwenne schrijft: “al was het maar omdat ook die belangen in het Handvest worden beschermd.”[30] Mijns inziens slaat Zwenne hier de spijker op zijn kop. Deze mening wordt eveneens gedeeld door Kulk en Zuiderveen Borgesius.[31] Zij wijzen op jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) waarin is bepaald dat aan het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting in beginsel evenveel gewicht toekomt.

De gevolgen van het internetvergeetrecht
Een uitspraak als die van het Duitse constitutionele hof leidt tot uiteenlopende reacties. Er wordt terecht afgevraagd of het recht om vergeten te worden hier niet te ver wordt gerekt. Het gaat hier immers niet om onjuiste of incomplete informatie. In hoeverre weegt het belang van een veroordeelde moordenaar op tegen de vrijheid van informatie of is hier zelfs sprake van geschiedvervalsing door het ‘vergeten’ van de gebeurtenis? Tegenover deze kritische noten staat ook het recht van ex-gedetineerden; het recht op privacy. De term ex-gedetineerde wordt  doorgaans gelezen als: crimineel, met het (vaak negatieve) gevormde beeld daarbij. De prefix  staat er echter niet voor niks: ex-gedetineerde. De man heeft zijn straf uitgezeten en probeert zich op persoonlijk vlak te ontwikkelen, maar wordt hierin gehinderd door het feit dat de zijn naam vrijwel moeiteloos kan worden gekoppeld aan de moorden door een eenvoudige Google zoekopdracht  . Is het rechtvaardig om deze belemmering in stand te houden, zelfs nadat hij zijn straf heeft voldaan? Of ondermijnen we hiermee juist de zeggenschap over de duur van een vonnis, die bij het rechtssysteem behoort te liggen. Over de vraag wanneer het recht om vergeten te worden toekomt aan criminele van zwaardere delicten, zal ongetwijfeld veel  worden gediscussieerd; en niet alleen  binnen de rechtspraak.


[1] M. Kuijvenhoven, ‘Het internetvergeetrecht’, Fiat Justitia (www.fiatjustitia.nl); P.A.C. Hoynck van Papendrecht e.a., 3 oktober 2019, “Procederen tot in de vergetelheid: een interview met Willem van Lynden”, Fiat Justitia (www.fiatjustitia.nl).

[2] Buitenlandredactie, 28 november 2019, ‘Moodernaar krijgt ‘recht om vergeten te worden’ en verdwijnt uit online archieven’, AD (www.ad.nl).

[3] Misdaad & Recht, 28 november 2019, ‘Het recht om vergeten te worden’, Pauw (www.bnnvara.nl).

[4] NOS, 28 november 2019, ‘Voor moord veroordeelde Duitser krijgt ‘recht om vergeten te worden’’, NOS (www.nos.nl).

[5] Vergeetrecht- Right to Be Forgotten, Justitia.nl (www.justitia.nl).

[6] Wouter Dammers, 11 januari 2019, ‘5 Vuistregels voor “Het recht om vergeten te worden”’, Lawfox (www.lawfox.nl).

[7] G.J. Zwenne, ‘Het internetvergeetrecht na Google t. Costeja (HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12)’, in: D.C. van Beelen e.a. (red.), Privacy en gegevensbescherming, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2015, p. 51-71

[8] G.J. Zwenne, ‘Het internetvergeetrecht na Google t. Costeja (HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12)’, in: D.C. van Beelen e.a. (red.), Privacy en gegevensbescherming, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2015, p. 51-71; J. van Hoboken, Case Note, CJEU 13 May 2014, C-131/12 (Google/Spain) (August 15, 2014). Verkrijgbaar bij SSRN: https://ssrn.com/abstract=2495580; J. Ausloos and A. Kuczerawy, ‘From Notice-and-Takedown to Notice- and-Delist: Implementing the Google Spain Ruling’ (October 5, 2015). Forthcoming in 14 Colo. Tech. L.J. (spring 2016); CiTiP Working Paper 24/2015. Verkrijgbaar bij SSRN: https://ssrn.com/abstract=2669471 en S. Kulk en F.J. Zuiderveen Borgesius, ‘De implicaties van het Google Spain-arrest voor de vrijheid van meningsuiting’, NTM/NJCM-Bull. 2015, af l. 1, p. 3-19.

[9] HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google/Spain), par. 81.

[10] Lars Pasveer, 28 november 2019, ‘Moordernaar krijgt vergeetrecht van Duits hooggerechtshof’,  Villamedia (www.villamedia.nl)

[11] Der Spiegel, 27 november 2019, ‘Recht auf Vergessen mus sneu ausgehandelt werden’, Der Spiegel (www.spiegel.de).

[12] Rechtbank Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118, r.o. 4.11.

[13] Rechtbank Amsterdam 24 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9515, r.o. 4.12.

[14] Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, r.o. 3.6.5.

[15] Hof van Justitie 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain), par. 81, 97 en 99.

[16] Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716.

[17] Rechtbank Amsterdam 24 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9515.

[18] Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395.

[19] Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716; Rechtbank Amsterdam 24 december 2015,ECLI:NL:RBAMS:2015:9515.

[20] Rechtbank Midden-Nederland 20 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:805.

[21] Rechtbank Amsterdam, 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS: 2015:716; Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395.

[22] Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015: ECLI:NL:RBAMS:2015:716.

[23] Rechtbank Amsterdam 11 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1958.

[24] Mr. L. Mourcous & mr. M. Weij, ‘Drie jaar het recht om vergeten te worden: een analyse van de Nederlandse rechtspraak’, Tijdschrift voor Internetrecht nr. 4 oktober 2017, p. 156.

[25] P.J. Kreijger, ‘Een jaar later. De receptie van “het recht vergeten te worden” in de Nederlandse rechtspraak’, Mediaforum 2015, p. 141-148 (afl. 4).

[26] Conclusie A-G N. Jääskinen van 25 juni 2013, ECLI:EU:C:2013:424, par 98.

[27] HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain), par. 35.

[28] HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain), par. 94.

[29] G.J. Zwenne, ‘Het internetvergeetrecht na Google t. Costeja (HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12)’, in: D.C. van Beelen e.a. (red.), Privacy en gegevensbescherming, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2015, p. 51-71; J. van Hoboken, Case Note, CJEU 13 May 2014, C-131/12 (GoogleSpain) (August 15, 2014). Verkrijgbaar bij SSRN: https://ssrn.com/abstract=2495580; J. Ausloos and A. Kuczerawy, ‘From Notice-and-Takedown to Notice- and-Delist: Implementing the Google Spain Ruling’ (October 5, 2015). Forthcoming in 14 Colo. Tech. L.J. (spring 2016); CiTiP Working Paper 24/2015. Verkrijgbaar bij SSRN: https://ssrn.com/abstract=2669471 en S. Kulk en F.J. Zuiderveen Borgesius, ‘De implicaties van het Google Spain-arrest voor de vrijheid van meningsuiting’, NTM/NJCM-Bull. 2015, af l. 1, p. 3-19.

[30] G.J. Zwenne, ‘Het internetvergeetrecht na Google t. Costeja (HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12)’, in: D.C. van Beelen e.a. (red.), Privacy en gegevensbescherming, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2015, p. 51-71.

[31] S. Kulk en F.J. Zuiderveen Borgesius, ‘De implicaties van het Google Spain-arrest voor de vrijheid van meningsuiting’, NTM/NJCM-Bull. 2015, af l. 1, p. 3-19.


Discussie