Ontoerekeningsvatbaar vanwege hersenletsel en epilepsie?

“U wist wel dát u epileptische aanvallen kan krijgen. In uw omgeving werd er ook op aangedrongen om niet in een auto te stappen, toch deed u het. U minachtte de veiligheid van anderen.”[1]

Zo startte het onderzoek van de voorzitter in het gerechtshof Den Haag. De zaak betreft vierenvijftig jarige Julia H., die op 30 mei 2014 in Hellevoetsluis door een epileptische aanval tijdens het besturen van haar auto een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Daarnaast stond de vrouw terecht voor het besturen van een auto een aantal dagen na het dodelijk ongeval, terwijl haar rijbewijs was ingevorderd, strafbaar gesteld in artikel 9 WVW. Het derde feit betrof het vals verklaren over het aanvalsvrij zijn van epilepsie tegenover een keuringsarts van het CBR.

Pas op 25 januari vorig jaar werd door de rechtbank uitspraak gedaan in de zaak. Julia H. werd door  rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor vijf jaar. Namens zowel de verdachte als door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 

Op 1 augustus vond de aangehouden zitting plaats voor het horen van getuigen, die ik als publiek heb kunnen aanschouwen. Ik was geschokt over de kilheid van de verdachte. Twee weken later werd het arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank. De straf die rechtbank Rotterdam oplegde, is aanzienlijk hoger. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt de verdacht namelijk tot onder andere ‘slechts’ een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het is goed te begrijpen dat ook deze zaak de maatschappelijke discussie over de hoogte van deze straf in combinatie met ernstige medische beperkingen aanwakkert.

Reeds eerder schreef Fiat Justitia een stuk over de straffen omtrent dood door schuld in het verkeer. In dit artikel zal voornamelijk ingegaan worden op de overwegingen van de rechtbank en het gerechtshof omtrent de gestelde ontoerekeningsvatbaarheid van Julia H. Hoe is het mogelijk dat voor dit ernstige feit zo'n lage straf kan worden opgelegd?

 

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Natuurlijk wordt door zowel het hof als de rechtbank de mening over de ernst van de zaak gedeeld. Zo overweegt de rechtbank in haar vonnis dat in beginsel de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte zich zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is. 

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW moet vast komen te staan dat een verdachte door zijn gedragingen in het verkeer een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt die aan zijn schuld te wijten is.[2] De handeling moet dus verwijtbaar zijn. De verwijtbaarheid is van invloed op de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Als samenleving zijn we snel geneigd om schuld te toetsen aan de ernst van de gevolgen van het gedrag in het verkeer. Echter, het is belangrijk om te beseffen dat aan het geheel van gedragingen van de verdachte, de ernst en omstandigheden, in combinatie met overige omstandigheden van het geval, wordt getoetst. Vandaar een kijkje in deze zaak, om beter te begrijpen hoe tot deze straf kan worden gekomen. De zaak is namelijk een complexe. De vraag over de mate van toerekeningsvatbaarheid wordt verschillend beantwoord door de rechtbank, het hof, deskundigen van onderzoeksrapporten en - zoals te verwachten - de nabestaanden.

Wat zijn de overwegingen geweest van de rechtbank, de aangestelde deskundigen en het hof? Welke feiten en omstandigheden hebben hierin meegespeeld?

 

Gebeurtenis

Op 30 mei 2014 te Hellevoetsluis, op de Haringvlietweg, reed Julia H. met beide wielen van haar auto op de fietssuggestiestrook. Twee Poolse voetgangers, een 23-jarige vrouw en een 29-jarige man, liepen aan de rechterzijde van de weg. Uit een verkeersanalyse onderzoek blijkt het aannemelijk dat de vrouw in een rechte lijn met een snelheid van ten minste 60 km/u reed, zonder te remmen. De vrouw reageert niet op de voetgangers en heeft de voetgangers vervolgens van achteren aangereden, waardoor de voetgangers werden gedood. Na de aanrijding heeft de vrouw een fietser geschampt, die een klein stukje vóór de voetgangers reed, waarna ze nog enkele tientallen meters is doorgereden. Via de linkerzijde van de berm raakte de auto van de weg en is vervolgens in de sloot beland. Getuigen hebben de vrouw uit haar auto gehaald, waarna ze aangehouden is voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval.[3]

 

De omstandigheden van het geval

Na onderzoek is vast komen te staan dat Julia H. ten tijde van het ongeval een epileptische aanval heeft gehad. Zowel op zitting als in de verklaringen geeft Julia H. aan geen herinneringen te hebben vanaf het begin van het rijden tot enige tijd na het ongeluk. Getuigen verklaren dat ze een onverschillige indruk maakte ten opzichte van het ongeval. Daarnaast geeft ze tijdens de rechtszaak aan zich niet schuldig te voelen, omdat ze ‘zich niet van het ongeluk bewust was’.[4] Hoe is dit mogelijk? Een inzicht in haar medische geschiedenis verschaft duidelijkheid.

Op 27-jarige leeftijd heeft Julia H. een trap van een paard tegen haar hoofd gekregen, met ernstig blijvend hersenletsel als gevolg. Een aantal rapporten is opgesteld. In de rapporten van Cees Jonker, gedragsneuroloog te Amsterdam, wordt de aandoening gekwalificeerd als het basofrontaal syndroom.[5] Deze neurocognitieve stoornis resulteert in persoonlijkheidsgebreken en heeft gezorgd voor ernstige veranderingen in haar denken en handelen. Dit uit zich onder andere in een beperkt of verminderd oordeelsvermogen en normbesef, verminderd inlevingsvermogen, geheugenproblemen, rechtlijnigheid en zeer egoïstisch denken en handelen.[6]  In combinatie met haar sociaal-emotionele vlakheid, onverschilligheid en afstandelijkheid wordt haar karakter als egocentrisch geduid, met gebrekkige affectieve gewetensfuncties.[7] De aandoening wordt niet voor niets ook wel met pseudopsychopathie aangeduid.

Verder is vastgesteld dat Julia H. sinds 2006 aan epilepsie lijdt. Het bezoeken van artsen voor controle is echter iets wat de vrouw heeft nagelaten. Julia H. was zich goed bewust van de ziekte, maar schroomde niet toch de auto te gebruiken, ondanks waarschuwingen van de omgeving. Een totaal aantal van acht ongelukken, waarbij ze ‘weggevallen’ werd aangetroffen, maakt zeer aannemelijk dat deze ongelukken mede het gevolg zijn van een epileptische aanval tijdens het rijden.

 

Deskundigenrapporten

Ten behoeve van de zitting is een aantal rapporten opgesteld door (gedrags)deskundigen, waaronder een neuroloog, een gedragsneuroloog en een psychiater ter onderzoek naar de persoonlijkheid en functioneren van Julia H. De rapporten sluiten nauw op elkaar aan. Haar gedrag en de afwijking met de gemiddelde epilepsiepatiënt is verklaarbaar uit haar hersenletsel. De rechtlijnigheid in denken, emotionele vervlakking, het gebrek aan overzicht en inlevingsvermogen hebben Julia H. in haar denken en handelen ernstig beperkt. Ze onderneemt naast haar werk geen of nauwelijks nieuwe dingen en richt haar leven ‘volgens gewoonte in’; iets wat de rechtlijnigheid in haar denken weergeeft. De gedragsveranderingen passen allemaal bij het frontaal syndroom. Zo wordt als voorbeeld gegeven dat zij het weer rijbevoegd zijn zeer letterlijk neemt. “Ze had haar rijbewijs, ‘dus’ ze mocht rijden.”[8]

Daarbij komt nog dat Julia H. in 2013 vals heeft verklaard tegen een keuringsarts van het CBR al twee jaar epilepsievrij te zijn. ‘Ik heb een rijbewijs nodig, want ik moet met de auto naar het werk.’, was haar argument. Verder is geen aanwijzing gevonden voor bijkomende psychiatrische stoornissen of een persoonlijkheidsstoornis.Het wordt daarnaast duidelijk dat Julia H. zich emotioneel verzet tegen de diagnose epilepsie. Ze weet wel dat het is vastgesteld, maar wil zich niet verenigen met de ziekte. Deze gedeeltelijke ontkenning van haar epilepsie in combinatie met haar inflexibiliteit hebben haar verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot het deelnemen aan het verkeer verstoord. Ten aanzien van het dodelijk ongeval wordt daarom door de deskundigen geadviseerd om op grond van de stoornissen – het basofrontaal syndroom, die haar oordeelsvermogen ten aanzien van de risico’s omtrent autorijden met epilepsie heftig heeft beperkt – in het geheel niet toe te rekenen.[9] De deskundigen achtten de vrouw dus ten tijde van het ongeval volledig ontoerekeningsvatbaar.

 

Rechtbank Rotterdam

De bewezen verklaarde feiten leveren een overtreding van artikel 6 WVW en daarnaast een overtreding van artikel 114 WVW op, waar het verkrijgen van een rijbewijs door onjuiste opgaven te doen en onjuiste inlichtingen te verschaffen, verboden wordt. De rechtbank is van oordeel dat Julia H. zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid in het verkeer heeft gereden op de openbare weg, waardoor twee personen zijn te komen overlijden. Julia H. heeft dan ook schuld aan het verkeersongeval, aldus de rechtbank. Voor het onbevoegd rijden wordt de verdachte vrijgesproken, wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank onderschrijft het belang van de zorgplicht in het verkeer, waar grote verantwoordelijkheid geldt ten opzichte van alle autobestuurders. Het feit dat de verdachte zich bewust was van haar beperkingen. Ondanks dit bewustzijn en de waarschuwingen van de omgeving heeft dat niet geleid tot het besluiten niet meer deel te nemen aan het verkeer. Dat de verdachte een aantal dagen na het dodelijk ongeval gewoon weer in de auto stapt, geeft aan dat de verdachte geen acht slaat op de verkeersveiligheid in het algemeen en geen oog heeft voor de veiligheid van medeweggebruikers in het bijzonder.[10] Julia H. heeft moeten weten wat voor grote gevolgen een epileptische aanval ten tijde van het besturen van een motorrijtuig voor haarzelf en voor anderen zou kunnen hebben.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank omvat de eis van de officier van justitie de ernst van het bewezenverklaarde feit en de onomkeerbaarheid van de gevolgen daarvan onvoldoende. Gezien het atypische karakter van de zaak – met name de ernstige medische beperkingen, het negeren daarvan en de minachting van de verkeersveiligheid voor anderen – bieden de oriëntatiepunten en richtlijnen onvoldoende houvast voor de straftoemeting. Door de onomkeerbaarheid van de situatie acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en voor het onjuist verschaffen van inlichtingen, een gevangenisstraf van een maand. De rechtbank sluit zich wel aan bij de eis van de officier van justitie omtrent de rijbevoegdheid en veroordeelt Julia H. tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de maximale duur van vijf jaren. De rechtbank brengt een maand gevangenisstraf in aftrek vanwege de schending van artikel 6 EVRM: het overschrijden van een redelijke termijn. De volledige ontoerekeningsvatbaarheid die wordt aangenomen door deskundigen, blijft verder in het vonnis achterwege. De verdachte wordt toerekeningsvatbaar geacht en gestraft met een hogere straf dan de eis van de officier van justitie.

Het Openbaar Ministerie is het niet eens met de vrijspraak voor het rijden zonder geldig rijbewijs en gaat in hoger beroep. Ook namens Julia H. wordt beroep aangetekend: ‘De straf is te hoog en onterecht’, aldus Julia H. Volgens de verdediging is het ongeval niet aan haar te wijten, maar aan haar ziekte.[11] De verantwoordelijkheden voor haar daden plaatst ze op deze manier geheel buiten zichzelf.

Gerechtshof Den Haag

Het hof slaat een andere weg in dan de rechtbank. De advocaat-generaal vordert een vernietiging van het vonnis en vordert voor het dodelijke ongeval en voor het autorijden terwijl haar rijbewijs was ingevorderd, de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van drie jaar, alsmede een taakstraf van 100 uur te vervangen met 50 dagen hechtenis.[12] Daarnaast vordert de advocaat-generaal een ontzegging van de rijbevoegdheid, opgeteld voor de duur van 7 jaar, met aftrek van de duur dat het rijbewijs al is ingevorderd. De advocaat-generaal sluit zich voor een groot deel aan bij de deskundigenrapporten en brengt dit tot uiting in de strafeis.

In het oordeel van het hof wordt gedeeltelijk aangesloten bij de bevindingen van de deskundigen, maar komt echter niet tot het oordeel van gehele ontoerekeningsvatbaarheid. Het hof spreekt van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Er is wel degelijk sprake van ernstige beperkingen, veroorzaakt door het hersenletsel van Julia H. Het oordeelsvermogen over en het besef van haar gedrag en de consequenties daarvan zijn echter niet zó beperkt dat dit leidt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Daarnaast is de vrouw meerdere malen gewaarschuwd door haar omgeving voor haar rijgedrag. Het hof onderkent wel dat het vanwege haar beperkingen moeilijker is haar verantwoordelijkheid te nemen met betrekking tot het verkeer en haar epilepsie dan voor een gemiddeld gezond mens. Desondanks blijft het Julia H. zelf die zichzelf in die situatie heeft gebracht en schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Het feit dat zij zich niets kan herinneren van het feit doet daar niets aan af. Een geheugenstoornis kan immers niet worden vastgesteld en daarbij blijkt ook uit rapporten dat zij af en toe wel geneigd was dingen te vergeten die haar goed uitkwamen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof ook rekening gehouden met het feit dat de strafzaak heeft geresulteerd in het ontslag van Julia H., de negatieve media-aandacht, waar ze breeduit en soms op een grove manier werd afgeschilderd. Ook het feit dat de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn met twee jaar heeft overschreden, maakt dat het hof tot een aanzienlijk lagere straf is gekomen. Volstaan kan worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof veroordeelt Julia H. tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van drie jaren. Het hof ontzegt daarnaast de verdachte de rijbevoegdheid voor een periode van 6 jaren. Gedurende de volledige proeftijd dient Julia H. zich te melden bij de reclassering, die ook de taak heeft te bezien of een vorm van mentorschap kan worden gerealiseerd.[13] Ook moet ze een schadevergoeding betalen voor de materiële schade ad EUR 4.026,81. Van het derde ten laste gelegde feit, het vals verklaren over het aanvalsvrij zijn van epilepsie tegenover een keuringsarts van het CBR, spreekt het hof de verdachte vrij.

 

Genoegdoening voor de nabestaanden?

De nabestaanden zijn geschokt wanneer de advocaat-generaal tijdens de zitting zo’n lage straf eist. De familie barst in snikken uit. Het is goed voor te stellen dat een voorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende is voor de nabestaanden, al helemaal doordat Julia H. geen verantwoordelijkheid neemt voor haar daden. Waar de rechtbank vergelding en het duidelijk afgeven van een signaal voorop stelt, brengen voor het hof de omstandigheden van het geval mee dat een lagere straf passend wordt geacht. Deze lagere straf is moeilijk voor de nabestaanden, omdat het gevoel van genoegdoening of vergelding onvoldoende naar voren komt. Kán dat überhaupt wel? Tijdens het spreekrecht op zitting stipt de broer van één van de slachtoffers met ondersteuning van een tolk het pijnlijke punt aan:

Aanvankelijk dachten mijn moeder en ik dat de vrouw al levenslang heeft en niet nog extra gestraft hoeft te worden, omdat ze moet leven met het feit dat ze de dood heeft veroorzaakt van twee jonge mensen. Maar na vandaag en de vorige zitting is mij duidelijk geworden dat de verdachte nog helemaal geen straf heeft gehad: het komt bij haar niet binnen. We zien en horen geen wroeging; het draait allemaal om haar en haar eigen ziekte, met haar smoesjes. Voor haar is het maar ‘gewoon’ een ongeluk. Wij zijn onze familie kwijt.”

De overwegingen van het hof zijn in het licht van de omstandigheden van het geval te begrijpen. Het gevoel van rechtvaardigheid wordt echter niet gediend door zo’n lage straf. Waar de rechtbank meer rekening hield met de gebeurtenis zelf, verschuift het hof zijn aandacht meer naar de persoonlijke omstandigheden en (medische) gebreken van Julia H. Door een voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd, controle door en mogelijk mentorschap vanuit de reclassering op te leggen, wordt geprobeerd de samenleving te beschermen door te voorkomen dat Julia H. weer in herhaling valt. Drs. Pol sluit namelijk niet uit dat zij ooit nóg een keer een rijbewijs zal aanvragen.[14] Julia H. zal vanwege haar gebreken niet gauw veranderen. 

De vraag is nu óf er wel sprake is van (voldoende) genoegdoening door de uitspraak van het hof. Zou gevangenisstraf eigenlijk wel werken bij Julia H. vanwege haar medische beperkingen? Zij heeft al een behoorlijke portie ‘straf’ achter de kiezen: de overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar, de eeuwig blijvende negatieve publiciteit in de media, het ontslag op haar werk en de afkeer van mensen om zich heen. Maar is dat wel voldoende bij verminderde toerekeningsvatbaarheid? Moet geen duidelijker afschrikkend signaal worden afgegeven? Zou, gelet op de ernstige risico’s die de aandoening met zich meebrengen, een levenslange ontzegging van de rijbevoegdheid niet meer op zijn plaats zijn?  

 


[1] Gerechtshof Den Haag, 15 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2212.

[2] Rechtbank Rotterdam, 25 januari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:459, r.o. 4.2.

[3] Rechtbank Rotterdam,(reeds aangehaald), r.o. 4.2.

[4] Victor Schildkamp, ‘Twee jaar cel voor vrouw die epilepsie verzweeg en twee mensen doodreed’, Algemeen Dagblad, 25 januari 2018.

[5] Rechtbank Rotterdam, (reeds aangehaald), r.o 4.2: het basofrontaal syndroom is een letsel aan de frontale kwab die veroorzaakt is door een klap of aandoening aan dit gedeelte. De belangrijkste hersenfuncties worden in de frontale kwab geregeld, waardoor een trauma resulteert in gedragsveranderingen. 

[6] Gerechtshof Den Haag, 15 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2212.

[7] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald), deskundigenrapport drs. Pol.

[8] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald), deskundigenrapport drs. Rosa.

[9] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald).

[10] Rechtbank Rotterdam,(reeds aangehaald), r.o 7.4.

[11] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald).

[12] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald), beslissing.

[13] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald), beslissing.

[14] Gerechtshof Den Haag, (reeds aangehaald), deskundigenrapport drs. Pol.


Discussie