Rechterlijke dwaling: onschuldig, maar toch veroordeeld

Door: Floor de Bruin

Stelt u zich voor: 36 jaar van uw leven kwijt zijn vanwege een onterechte veroordeling. Het overkwam de toen zestienjarigen Alfred Chesnut, Andrew Stewart en Ransom Watkins. Het drietal werd veroordeeld tot een levenslange celstraf voor de moord op de veertienjarige DeWitt Duckett, die tijdens een school shooting werd doodgeschoten. De zaak kreeg veel media-aandacht. Dit leidde tot veel publieke druk om de aangehouden verdachten zo snel mogelijk te veroordelen. Deze druk heeft tot gevolg gehad dat de verdachten inderdaad – te – snel zijn vervolgd. Zo bleken er ontlastende verklaringen te zijn en daarnaast zelfs getuigenissen te bestaan die wezen naar de daadwerkelijke dader.[1] Dergelijke verklaringen en getuigenissen werden tijdens het proces in 1984 achtergehouden. Deze casus is helaas niet uniek.

Onzorgvuldigheid van de politie of het openbaar ministerie heeft in veel meer gevallen geleid tot onterechte veroordelingen. Uit een onderzoek van the National Registry of Exonerations blijkt dat veel onterechte veroordelingen in de Verenigde Staten het gevolg zijn van nalatigheid van zowel politie als het openbaar ministerie. Er werd bewijs vervalst of ontlastend bewijs achtergehouden. Opvallend is dat politieagenten bij dertig procent van de zaken verantwoordelijk waren voor de onterechte veroordelingen.[2] Waarom ligt dit percentage zo hoog? Wat zijn de oorzaken en gevolgen? En tot slot, gebeurt dit ook in Nederland?

De soorten bewijsstelsels die worden gehanteerd, verschillen per land. Er bestaat een positief en een negatief wettelijk bewijsstelsel. Binnen het positieve bewijsstelsel is de rechter gebonden aan de opgesomde bewijsmiddelen in de wet. De wet verplicht de rechter namelijk om het feit bewezen te verklaren, indien er een bepaalde hoeveelheid bewijs is. Het bewijs bepaalt dus de beslissing, niet de overtuiging van schuld. De rechter moet veroordelen, ook als de overtuiging ontbreekt.

Echter, in Nederland hanteert men het negatieve bewijsstelsel. Er is sprake van een negatieve binding: zonder overtuiging geen veroordeling. In het Latijn wordt dit in dubio pro reo genoemd: in geval van twijfel is het voordeel voor de verdachte. Het Wetboek van Strafrecht vermeldt welke strafbare feiten in Nederland bestaan. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt vervolgens hoe strafbare feiten worden vervolgd. Uit artikel 338 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vloeien vijf kenmerken voort die de hoofdregels van het bewijsstelsel belichten. Indien aan deze vijf kenmerken voldaan is wordt het ten laste gelegde feit bewezen verklaard.

Ten eerste moet de rechter overtuigd zijn. Deze overtuiging is gegrond op de wettige bewijsmiddelen die limitatief zijn opgesomd in artikel 339 Sv. En wordt ook wel de minimum bewijswaarde genoemd. Denk hierbij aan de welbekende uitspraak: één getuige is géén getuige. Daarnaast gaat het om de vraag of de verdachte het ten laste gelegd feit heeft begaan. Tot slot moet de overtuiging voortkomen uit het onderzoek ter terechtzitting. Na afloop van het onderzoek ter terechtzitting wordt bepaald of de verdachte schuldig is bevonden aan het ten laste gelegde feit.[3] Hetgeen centraal staat is dus het ten laste gelegde feit, niet het daadwerkelijk gebeurde feit. Kortom: de overtuiging van de rechter moet voortvloeien uit de wettige bewijsmiddelen. Is er wel voldoende bewijs, maar is de rechter niet overtuigd, dan volgt vrijspraak.

Hiervoor werd aangegeven dat dertig procent van de onterechte veroordelingen, aan de schuld van politieagenten te wijten is. Wat zijn de oorzaken van dit hoge percentage?

Bij onterechte veroordeling spelen valse bekentenissen een grote rol. Bekentenissen worden universeel gezien als een overtuigend bewijsmiddel van schuld. Wanneer er sprake is van een geloofwaardig verhaal, motief en een verklaring, worden zij als wettig bewijsmiddel aangenomen. Indien een verdachte een bekentenis aflegt, heeft dit tot gevolg dat de overige informatie van de zaak maar kort wordt belicht. Men is geneigd om de geldigheid van bekentenissen voorop te stellen, ondanks de onorthodoxe verhoortechnieken die soms worden gebruikt.

Daarnaast kan tunnelvisie ook leiden tot onterechte veroordelingen. Tunnelvisie verwijst naar de neiging om selectief de aandacht te focussen op een doelwit met uitsluiting van anderen. Alle aandacht gaat naar één verdachte en het bewijs dat relevant is voor zijn schuld.[4] Hierdoor stapt men – metaforisch gezien – in een tunnel en verliest men het zicht op hetgeen zich buiten die tunnel afspeelt.  Tunnelvisie gaat veelal gepaard met vooroordelen. Er wordt alleen gezocht naar bewijs dat een al bestaande overtuiging, verwachting of hypothese ondersteunt. Als er dan toch informatie wordt gevonden die tegenstrijdig is met het vermoeden, wordt dit zo geïnterpreteerd dat deze tegenstrijdigheid verdwijnt.[5] Dit is een fout die wij als mens allemaal maken. Het is daarom ook te verklaren dat rechters en officieren van justitie deze fout ook maken.

Daarnaast kunnen institutionele invloeden druk uitoefenen op het handelen van de politie. Als er op een zaak veel publieke of politieke druk wordt uitgeoefend, kan dit nadelige gevolgen hebben voor het werk van de politie. Dit kan als gevolg hebben dat de politie zich in een vroeg stadium van het onderzoek focust op één specifieke verdachte, zodat de zaak is opgelost en de publieke of politieke druk verdwijnt.[6] Dit is precies wat er is gebeurd in de zaak tegen Alfred Chesnut, Andrew Stewart en Ransom Watkins. De politie en het openbaar ministerie stonden onder hoge publieke druk en wilde de zaak zo snel mogelijk afronden.

Het is dus duidelijk dat in de Verenigde Staten het veroordelen van de daadwerkelijk schuldige verdachte niet altijd van een leien dakje gaat. Vinden dit soort rechterlijke dwalingen ook plaats in Nederland? Het antwoord hierop is ja. In Nederland hebben zich over de jaren verschillende zaken voorgedaan waarbij sprake was van grootschalige rechterlijke dwaling. Zo werd Lucia de Berk in maart 2003 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor meerdere moorden. In verschillende ziekenhuizen waar Lucia de B gewerkt heeft, waren tijdens haar dienst meerdere patiënten overleden. Wat opvalt aan deze zaak, is dat Lucia de Berk in eerste instantie is vervolgd en schuldig is bevonden aan meerdere misdrijven. Uiteindelijk bleek dat zij geen enkel misdrijf heeft begaan. De rechters hadden hun oordeel vooral gebaseerd op de verklaring van een deskundige. Lucia de B is door de rechtbank in Den Haag veroordeeld voor de moord op vier patiënten en pogingen tot moord op drie patiënten. In deze zaak is gebruik gemaakt van een waarschijnlijkheidsberekening, berekend door een deskundige. Hieruit bleek dat de kans van 1 op 342 miljoen bestond dat één verpleegkundige bij zoveel sterfgevallen betrokken zou zijn.[7]  De rechters hadden hun oordeel vooral gebaseerd op de verklaring van een deskundige. Later bleek dat de berekening van de deskundige voor meerdere vormen van interpretatie vatbaar was. Hieruit kan men dus concluderen dat er veel waarde wordt gehecht aan de verklaring van een deskundige. Na deze uitspraak is er een deel van het wetboek van strafvordering gewijd aan de deskundige. In 2008 is de zaak heropend en is de rechter tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een justitiële dwaling. De Berk werd pas in 2010 vrijgesproken. 

Een ander voorbeeld van een grootschalige rechterlijke dwaling is de Arnhemse villamoord. Op 2 september 1998 is een vrouw in haar villa vermoord. Er werd uitgegaan van roof met dodelijk gevolg, maar de buit was erg klein. Er waren slechts een portemonnee, een paar bankpasjes en een armband gestolen.  Er werden negen mannen voor de roofmoord veroordeeld.[8] De schuld van de veroordeelden werd in twijfel getrokken toen uit opnames van de verhoren bleek dat de verdachten, onder grote druk van rechercheurs, mogelijk een valse bekentenis af hadden gelegd. Er ontstond in een vroeg stadium van het onderzoek al tunnelvisie. De politie had een tip van een geheime informant gekregen, die wees naar deze negen verdachten. Vanaf dat moment heeft de politie zich gefocust op deze personen. Hierbij is allerlei tegenstrijdig bewijsmateriaal genegeerd. Zo waren er bloedsporen gevonden die niet afkomstig waren van een van de slachtoffers of van de verdachten. De rechters hebben dus gefilterde informatie voorgeschoteld gekregen. Tot slot zijn er onorthodoxe verhoortechnieken gebruikt, die ervoor gezorgd hebben dat één van de verdachte heeft bekend. Uit beelden die gemaakt zijn met tijdens het verhoor blijkt dat de verdachte werd gevoed met daderkennis. Zo werd hem de kleur van de vluchtauto en het tijdstip van de moord verteld. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de rechters een onjuiste voorstelling van zaken hadden.[9]

Onzorgvuldigheid van de politie of het openbaar ministerie heeft in veel meer gevallen geleid tot onterechte veroordelingen, onder andere door het gevolg van valse bekentenissen, tunnelvisie en het uitoefenen van druk op justitie. In de zaak van Alfred Chesnut, Andrew Stewart en Ransom Watkins, maar ook uit de zaak van Lucia de B en de Arnhemse villamoord, blijkt dat het voorhanden zijn van bewijs niet altijd leidt tot een juiste veroordeling. Het rechtssysteem is een van de pijlers van de rechtsstaat, maar helaas blijkt dit rechtssysteem niet immuun te zijn voor menselijke fouten.

 


[1] I. Ludeker, ‘Na 36 jaar onschuldige opsluiting eindelijk vrij’, Trouw, 27 november 2019.

[2] S. Ramdharie, ‘Onderzoek VS: veel onterechte veroordelingen door geknoei agenten en OM met bewijs’, de Volkskrant, 15 september 2020.

[3] B.F Keulen en G. Knigge, ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Deventer Kluwer 2016 hoofdstuk 14.2.1.

[4] A. Leo & D. Davis, ‘From false confession to wrongful conviction. Seven pyschological processes’, Journal of Psychiatry and Law 2010, afl. 38, p. 9-56.

[5] H.F.M Crombag, ‘over tunnelvisie’, In: Reizen met mijn rechter. Psychologie van het recht. Deventer: Kluwer 2010, hoofdstuk 20.

[6] A. Leo & D. Davis, ‘From false confession to wrongful conviction. Seven pyschological processes’, Journal of Psychiatry and Law 2010, afl. 38, p. 9-56.

[7] Gerechtshof Arnhem. 14 april 2010,  ECLI:NL:GHARN:2010:BM0876

[8]Gerechtshof Arnhem. 12 december 2000ECLI:NL:GHARN:2000:AA8995 (Arnhemse Villamoord).

[9] ‘De villamoord’, KRO-NCRV, 15,16 en 17 januari 2020.